Auteur Topic: Geschiedenis stad tholen uit HOL1 - 5 vanaf 1552  (gelezen 538 keer)

0 leden en 1 gast bekijken dit topic.

Offline webmaster

  • Administrator
  • Full Member
  • *****
  • Berichten: 133
  • Geslacht: Man
  • local historian
  • -Locatie: Willem van Beierenstraat
Geschiedenis stad tholen uit HOL1 - 5 vanaf 1552
« Gepost op: augustus 05, 2017, 04:36:25 pm »

OVERZICHT DER STAD ANNO 1552.

Wat het gelieele Land van //Ter Tholen” betreft, dit is gedurende de laatste eeuw merkelijk in omvang uitgedijd. Zoowel aan den noordkant van Tholen, als aan den noordkant van St. Maartensdijk, heeft men door nieuwe inpolderingen veel aan grondgebied gewonnen. Maar Stavenisse, een der oudste brokstukken van dit eiland, is ten ondergegaan, terwijl ook op enkele andere plaatsen, sinds ons vorig overzicht, verliezen van bedijkt geweest zijnde landen te betreuren zijn.

Nog vormt de Pluimpot, //de oude vaert,” de soheiding tusschen het Land van St. Maartensdijk en Tholen; de Breede-Vliet verbindt nog altijd de wijde Mosselkreek met het ICeeten,

') Archief van Reymerswale.

doch de Winkel-Ee, een ander belangrijk water, is ingepolderd. Beide alsnog opene stroomen-, de Pluimpot en de .Bratde-Vliet, leveren met hunne droogten op de plaatsen der wantijen voor de scheepvaart reeds bezwaren op-, ook de tijd van hunne afsluiting nadert met rassche schreden.

Wat de stad aangaat, hare zware muren zien er, na de laatstelijk ondergane herstelling weder hecht en sterk uit. Zij zijn nog van trotsche poorten en torens voorzien, door welk een en ander de kleine veste nog immer het aanzien heeft van een sterken burcht De tijd van opruiming van die indrukwekkende gevaarten is evenwel ook aanstaande.

Aan de grachten is niets veranderd; zij zijn smal en vóór de poorten overbrugd. Zij begroeien ten deele met riet, dat jaarlijks voor rekening der stad op vlotten gesneden wordt. De vijf stadspoorten zijn nog aanwezig, doch die tot afsluiting van den ouden dijk van den Vijftienhonderdgemetenpokler, en die wij vroeger waagden te bestempelen met den naam van Noordpoort, is na den brand slechts door een houten afsluiting vervangen. Zij heet nu de Verbrande poort, eene benaming, die zij heeft behouden tot aan hare slooping in de 17° eeuw. Deze poort is echter niet het eenige merkteeken, dat van den brand van 1452 nog overig is; de gansche omgeving daar is nog niet herbouwd; zij ligt nog woest en draagt, naar aanleiding van die treurige gebeurtenis den naam van //’t Verbrande.”

De Hoogstraat, de Dalemsche straat, de Stoof- en Kerkstraat, zijn meer doorgaande of aaneengesloten bebouwd; de Nieuwe straat, toegang gevende van de Hoogstraat naar de Haven, heeft nog enkele open erven, doch in de Venkel- en Molenstraat, valt weinig verandering op te merken.

De gang van het Stadhuis naar de Markt bestaat nog; men wandelt daardoor vrijelijk naar dit plein op welks midden de

') Nog te» huidigen dage heet de omgeving daar het » Verbrande.”

Magistraat in 1498 een //schoonen" gemetselden //bornput” heeft tot stand gebracht. De aanvankelijk daarbij opgerichte wip, beeft zelfs plaats gemaakt voor een uit Antwerpen aangevoerde //bezetting” van hardsteen en de laatstelijk aan den stijl gehechte schijfloop met scheppers, is vervangen door een ijzeren pomp, alles //tot gherieff van die goede luden der stad.”

Op het zuidelijke einde van de Markt bij den ingang der Venkelstraat, treft men nog altijd de ons bekende hofstede aan, die in 1496 in eigendom is overgedragen aan den Burgemeester Matheus Eynotïtszoon , welke haar met vergunning van den Magistraat van de straat en de andere erven heeft //afgesehut.” Op den hoek van de Markt is eene ruime wa-genmakerij gevestigd, waarin de leden van het Sacramentsgilde niet alleen dikwijls vergaderen, maar, laten de tijdsomstandigheden het toe, ook menigwerf hun gemeensehappelijken maaltijd gebruiken 1).

De Buitenstad heeft weder het meest in de veranderingen van den laatsten tijd gedeeld. De zoutkeeten, voorheen daarin aanwezig , zijn verdwenen, waardoor de open erven zijn beperkt. Evenwel treft men daarin nog vele huizingen met schuren aan, terwijl slechts enkele doornhagen, waardoor die gemeenschappelijke betimmeringen eertijds van de straten waren afgesloten, door houten schuttingen zijn vervangen.

De Haven, in ons vorig overzicht nog slechts in ’t bezit van hare natuurlijke wanden, is thans van kantbeschoeiingen en op sommige plaatsen zelfs van muren voorzien, terwijl de ruimten daarachter zijn bestraat. Tot gemak der schippers heeft men tegenover de "Vischstraat ook doelmatige trappen aangebracht; aan hare monding staat een blokhuis.

De Haven bevat vele vanesohuitjes, benevens ook enkele //buysen en quintboots.” In den laatsten tijd varen ook zes en twintig //houden” daaruit af, terwijl het getal der kleinere

‘) De wagenmakerij is thans herberg.

vaartuigen dat der heuden nog verre overtreft. Koggen of groote vaartuigen, geschikt om zee te bouwen, worden daarin niet meer opgemerkt x).

Met de kleinste vaartuigen wordt gevlet en geviselit op de bij ebstand droog vallende vlakten, die alsnog niet worden verpacht; met de buizen en quintboots vischt men op de zeeën en groote stroomen; met de heudeschepen vaart men in de breede beurt. Maar ook de vaste beurtveren op Antwerpen, Botterdam , Gorkum , Bergen-op-Zoom , Middelburg en Zierik-zee, leveren bedrijvigheid op. Voor sommige, plaatsen varen zelfs twee heuden in de beurt en de geheele vaart, nog niet in handen van maatschappijen maar van velen, wordt in hoofdzaak geregeld door het schippersgilde en den Magistraat.

De stad is nog immer in ’t bezit van den ouden Standaardmolen. Men kan het hem aanzien, dat hij zijne beste dage achter zich heeft, doch hierover verwondere men zich niet, want vermoedelijk reeds door Alaard van Duvenee voor de bewoners van Herderszoet gebouwd, heeft deze in den loop der tijden veel van de heerschende winden te lijden gehad. De Molens, zoowel als de Veren , maken geen deel meer uit van de //Grafelijkheid;” de stad bezit die in //eeuwighe” erfpacht. Is dus vernieuwing van één der molens noodig, dan is de Gemeente gehouden de kosten daarvan zelf te dragen.

Onder de openbare gebouwen neemt het Stadhuis , dat na den brand, zooal niet geheel, dan toch ten deele is vernieuwd , eene eerste plaats in, De Schepenzaal is eene gewijde plaats ; daarin toch wordt op Sint-Servaasdag bij het veranderen der Wet door den Deken of een der Kanunniken de H Mis gelezen, terwijl hare wanden zijn behangen met kaarten en schilderstukken. In de voorzaal houdt de //Schepenenbank” 319

vierschaar. .Daar zitten de getabberde Heeren met den Baljuw aan ’t hoofd binnen de alsnog aanwezige , doch later verplaatste balie, om in naam der Grafelijkheid Hecht te spreken voor Tholens poorters. Ook den advokaten is daar hun plaats aangewezen.

Onder de kaarten trekken die van de polders inzonderheid onze aandacht. Maar ook de schilderijen zijn bezienswaardig. Nevens // het bort der Baljuage” hangt in de Vierschaar , jnist tegenover de zitplaats der Gezworenen, //Het Laatste Oordeel,” een oud , merkwaardig schilderstuk , dat de Magistraat in der tijd van de Kerk heeft aangekocht, en waarvoor de //schrin-werker” eene lijst en de smid in 1495 hengsels en haken heeft gemaakt ').

Na het Stadhuis volgt bij onze beschouwing de Kerk, waarin sinds ons vorig overzicht echter weinig is veranderd. Op hare vloeringen ontwaart men weder meer schoon gebeitelde grafsteenen, dan vroeger , onder welke die van den Vicaris Kanunnik, Johan Witsen en die van den vierden Deken Cornelis Yoms, in rijkheid van bewerking uitmunten. Maar niet uitsluitend deze, ook andere graven, waaronder die van veel vroegeren tijd, trekken nog steeds de aandacht bij het kerkbezoek, ’t Zijn hoofdzakelijk die in ’t Priesterkoor , onder welke de verheven tombe van Guy den Grooten Bastaard van Blois met haar acht schilden, en de sierlijk gebeitelde steen van Guy van Blots , Anthoniszoon , die ons doen stilstaan en toeroepen, dat men hier met de rustplaatsen van waarlijk voormalige aardsche grooten te maken heeft. Vooral op die verheven tombe, onder die zware schilden, tuurt //de devote” en tevens arme kerkganger nog altijd met welgevallen. Eeeds bij het inkomen in ’t Koor maakt hij er

elkeu vreemdeling opmerkzaam op, dat onder dat gesteente ook het gebeente rast van de deugdzame Olara vak Botland , de weldoenster bij uitnemendheid , terwijl hij meteen weet te verhalen, dat, toen zij bij zekere gelegenheid wegens al te groote milddadigheid door haar gemaal was beschuldigd, evenals bij de H. Elizabeth hare aalmoezen in geurige rozen zijn veranderd 320). Zij was, aldus gaat hij voort, oin hare weldadigheidszin bij rijk en arm bekend. Geene instelling in de stad, welke niet op de eene of andere wijze, tijdens baar leven , was bedacht of van haar weldaden genoten had. Haar leven was een aaneenschakeling van goede werken , nu eens ten behoeve der armen, dan weder ten behoeve der Kerk. En niet alleen tijdens haar leven, ook na haar verscheiden, heeft zij gewild, dat een gedeelte van haar vermogen den armen zou ten goede komen. Hadden de omstandigheden het alzoo niet anders gewild, dan zou haar sterfdag ongetwijfeld ook nog in onze dagen zijn herdacht, en wie weet hoe menig arme vrome alsdan nog in stilte eene bede op haar killen, doch nu verlaten grafsteen , voor de rust harer ziel zou hebben uitgestort!

Ja, met Olara van Botland is een dier edele weldoensters ten grave gedaald, die door daad het voorbeeld gegeven hebben van oprechte christelijke naastenliefde, wier grootste genoegen heeft bestaan in het leed van den armen evenmensch te helpen verzachten. Geen wonder alzoo, dat zij bij ons overzicht in de harten der armen nog voortleeft, dat haar ernstige liefdadigheidszin nog met waardeering wordt vermeld. Men

houdt daarom met liefde haar graf in //groote eere” en zelfs voor een //visitationem sepulchridie jaarlijks plaats heeft, is door haar echtgenoot, //den grave Quy van Beloyseene neeuwighdurende1 ’ Tente op zekere goederen gevestigd.

Olaba , opgegroeid in de stille verborgenheid te Tholen , geplaatst onder het lommer van het lieve geboomte van «’t Cleyn Egypte” en levende onder de schaduw van hare Kerk , verkondigt ons, hoe de sterveling nog altijd kan zijn de lieveling van het mensehelijke geslacht. En ’t is opmerkelijk, dat eeuwen na het verscheiden, men door ik weet niet wat gedreven, zich alsnog geroepen gevoelt, den naam en de deugden derzulken aan de vergetelheid te onttrekken.

Ook voor ginds graf, waarin Mabia van ben Abeele rust, heeft jaarlijks een onderzoek plaats. waarvoor cene rente is besproken. Daar voor "t "Ileyügh Kruys” doet men haar «jaer-getyde.” l) Zorgzame handen tooien dan ook haar graf, waarvoor mede zoo groote belangstelling wordt aan den dag gelegd.

Nog wijst men ons in het Priesterkoor op verscheidene andere sierlijk bewerkte grafsteenen, zooals onder andere op die van Jan Oobnelis Zuyt windt met diens vrouw Mabike van Stapele , en op dien van den Burgemeester Oobnelis Jacobsz. Leuytgelt met zijne vrouw, op welke beide zerken de frisch-heid der nieuwheid nog aanwezig is In het midden van den eersten steen staat een engel in een poort tusseken twee kolommen, houdende een manswapen vast; van boven zijn twee engelen gebeeldhouwd, dragende het vronwenwapen, en naar luid der inscriptie daaromheen, is Zuytwindt op 22 Bebruari 1551, zijne vrouw Mabike op 2 April ’s jaars te voren, overleden. Op den anderen steen, op dien van Leuytgelt , is een man gebeiteld in tabbaard en eene vrouw met sluier; beiden in biddende houding onder een boog met zeker merk of wapen tusschen beiden. Het randschrift zegt, dat Leuytgelt op 30 321

April 1542, zijne vrouw op 19 Juni 1504 daaronder begraven is.

’t Is opmerkelijk al die blauwe grafzerken, die als nog in duidelijk schrift bekende namen spellen, pralen nog in al hare schoonheid; zij hebben bijna alle dezelfde randversieringen; op de vier hoeken vindt men achtereenvolgens een engel, een leeuw, een os en een arend, de zinnebeelden der vier Evangelisten, voorgesteld; betreft het een graf van een geestelijke, dan ontbreekt de Hostiekelk en het Crucifix ook daarop niet. Op de meeste komt tevens het wapen van den overledene voor, veeltijds met een spreuk of een afzonderlijke inscriptie en tus-schen de evenwijdige lijnen langs de randen leest men gewoonlijk in diep nitgehaalde typen, zoowel wat de begravene was, als wanneer hij gestorven is, veelal mei, het verzoek, om bij geval gij ooit zijn graf bezichtigt, alsnog voor de rnst der zielen te bidden. Al deze steenen liggen in de Preekkerlc en het Priesterkoor in de strekking van het Oosten naar het Westen, want geen dezer heeft nog eene andere bestemming, dan ■ waarvoor hij is nedergelegd, verkregen. Het hoofd van den begravene ligt op het westelijke einde; alleen in het Transept is dit anders en deze wijze van begraven in de kerk is gevolgd om, zoo men ons verzekert, in den dag der opstanding, in de Preekkerk en het Koor met het aangezicht naar de Hoofd-Altaren en daar in het Transept naar het H. Kruis-Altaar gericht, te kunnen verrijzen.

De //Gestoffeerde omgang” in het Priesterkoor is in den laatsten tijd door den //scrin- en lederwerker” merkelijk verfraaid. Deze waarlijk schoone zitplaats der getabberden wordt steeds voor rekening der stad onderhouden, en afgaande op hetgeen daarvoor bij herhaling wordt verantwoord, verwondert het ons niet dat dit onderhoud in geenerlei opzicht te wen-sehen overlaat. Van wapens, schilden en vanen aan de wanden is nog niets te zien 1). ’t Zijn nog uitsluitend de altaren,

de beelden en de schilderstukken, die de Onze Lieve Vrouwe-kerk versieren. Wat de altaren betreft, de meeste zijn sinds lang aanwezig; alleen dat, toegewijd aan H. Hubertus is nog slechts over weinige jaren gevestigd.

In de Kerkstraat treft men nog een vrij net Kerkje aan, met vier Gothische of spitsbogen ramen, uitzicht biedende naar de straat en met dergelijke, doch verhoogde ramen in de topgevels. Midden boven het houten gewelf verheft zich een toren, die zelfs van uurwerk is voorzien. Ook op de Hoogstraat, in de nabijheid van het Stadhuis, staat eene ruime Kerk of Kapel, boven welker steile bekapping zich eveneens een vrij hooge toren verheft J).

Ook trekken andere torens, namelijk die van de Zwaanhoeve, op het einde van de Hoogstraat. die van de Waterpoort en de Dalemsohe-poort, nog altoos de aandacht, doch ver boven al deze munt de grijze kerktoren met zijn zware, nog niet vergoten Sint-Lambertusklok , uit. Deze toren met de daarin opgehangen klok is nog het eigendom der kerk. Geen enkel sterveling, die zich reeds voorstellen kan, dat ook dit eenmaal niet meer het geval zal wezen, of dat het daarin kunstig overwelfde portaal, van alles afgesloten, voor de stad ooit zal moeten dienst doen tot bergplaats van allerlei.

Onder de woningen der burgers munten enkele uit. Vele zijn reeds in steen en in Gothischen stijl opgetrokken, doch schier alle zijn nog met stroo of riet afgedekt. Het stadsbestuur trekt nog geeue posten uit voor het aanbrengen van een //hartdack” op deze of gene huizing; toch is de tijd niet verre meer, dat die oude eenvoudige bedekkingen, zoo vaak begroeid met mos en gras, zullen plaats maken voor bekappingen met //tigchels” of Hollandsche dakpannen.

In het Bleekveld, in het Doelhof en in het oude Kerkhof is niet veel gewijzigd. Het eerste, het Bleekveld, wordt druk 322

gebruikt. En geen wonder. Teder spint bij winterdag zijn eigen vlas , de moeder onder het gepeins van de eene of andere gebeurtenis uit haar leven, de dochter onder het neuriën van een //nieyu liedt op de eene of andere bekende vois.” Bij voorkeur zingt de jeugd: '/Des Sultans dochtereen waarlijk schoon lied, dat kort voor ons overzicht met groote plaat aan het hoofd is gedrukt 1).

Ook het Doelhof wordt dikwijls gebruikt. Zoowel die van de //ghesworen voetboghe”, als die van de //ghcsworen hant-boghe” hebben daarop hunne hooge stangen. Hunne //coningh-schieters” worden, ouder gewoonte, nog immer door den Magistraat met vele //poirtcannen wins” getrakteerd. Zal ook dat eenmaal veranderen ? Zal ook het boogschieten in onbruik raken, even als het spinnen van het zelf gewonnen en zelf bewerkte vlas? Zal ook bet schenken van wijn door den Magistraat aan de schieters ooit ganschelijk in vergetelheid geraken? Wij gelooven het, doch thans wordt alles nog op den ouden voet voortgezet.

Het Kerkhof ziet er nog even zindelijk uit , als voorheen; zijne beplanting , zijne dreven, zijne opgezette en met kruisen en hardsteenen aangewezen graven , zijne muren en grachten, in één woord, alles getuigt nog van een belangstellend onderhoud.

Wat de geestelijkheid betreft, men ontmoet steeds den eenen of anderen Kanunnik. De oude heer Pieter Hen-Dif.iK.sz. Blook staat nog aan haar hoofd; hij is het, die voor den Magistraat op het Stadhuis de Mis leest, en voor wien de Wet bij zijn eerste optreden den eerewijn geschonken heeft.

De Omgangen of de Processiën hebben nog in vrede plaats. Nu eens treden de landbouwers van den // Zuytkantdan die van den //Noordkant,” zijn de meekrapdelvers of de onderscheidene gildebroeders daarvoor niet opgeroepen , daarbij

op, en de Magistraat, in alles nog méégaande, betaalt het klokluiden met de fooien daarvoor en brandt alsdan nog steeds zijn eigen toorts.

De omstreken van Tholen zijn sinds ons vorig overzicht merkelijk veranderd. De zeesluizen van de polders Dalem, Nieuwland en Peuke zijn gedempt, daar de ingepolderde killen naar de ingesloten overblijfselen van den Vosvliet ten deele zijn opgedroogd, en ten deele in gewone watergangen veranderd. Ook de ingedijkte vlieten in den Vijftienhonderdgeme-tenpolder zijn langs hunne voormalige oevers over beduidende breedten in afdalend of sompig weiland herschapen. Veel daarvan is echter ook reeds in vruchtbaar weiland veranderd , tengevolge waarvan het aan de schotbare grootte des polders is toegevoegd. Alleen de donkere watervlakten in ’t midden dier geulen, voor welker algeheels droogvalling nog eeuwen zullen moeten verloopen, toonen het duidelijk aan, dat de toestand daar met de onhandige vierkante booten met hare hooge vischtuigen nog volstrekt niet te vertrouwen is. De oppervlakte van den polder , waarin de veste is gesticht, is door dien binnendijkschen aanwas , sinds lang in strijd met de benaming, want reeds Jan van Blo is , had >/sine beden” al over 1607 in plaats van over 1500 Gemeten berekend 1).

Vóór Tholen , aan den overkant der rivier, is de Hazards-hil bedijkt; de vermogende Iieeren ,van Bergen-op-Zoom , hebben de uitgebreide slikken en gorzen, die velden van eenzaamheid en verlatenheid , sinds lang aan ’t spel van het dagelijlcsche getij onttrokken; zij hebben zelfs den ouden Qua-reuvliet, de Ver-Trizenvaart, met zoo menig anderen stroom , afgedamd, waardoor, zonder zij zulks hebben vermoed, de inpoldering van eene verbazende hoeveelheid grond, tusschen Bergen-op-Zoom en Steenbergen, is voorbereid. Men heeft thans reeds uitzicht ‘op de sehoone landouwen van den Noord-

en den Heer-Boudewijnspolder, en boven den zeedijk verheft zich de zware kerktoren van het daarin gestichte dorp J).

xlan den zuidkant der stad is de gesteldheid sinds ons vorig overzicht weinig veranderd. Dan , Schakerloo drijft. De uitwerkselen van den geweldigen storm van 13 Januari doen zich daar nog in al hun omvang gevoelen. En nevens Schakerloo ligt ook Nieuw-Strijen, de oude ambachtsheerlijkheid van Bouduwun van Yebseke , overstroomd 3). De velden van beide polders duiken bij ons tegenwoordig overzicht, in 1552, nog dagelijks onder het rustelooze getij , dat zich met geweld daartoe toegang verschafte. De bewoners hebben hun verlaten erven nog niet hernomen; zij zwerven bij hunne geburen om, hunne blikken voortdurend op hun eigen haardsteden vestigende.

In Denrloo bezit een der grondeigenaars eene schoone steenen woning in hoogte en omvang met het huis 323 De Drie Koningen” te Schakerloo , wedijverende. De Kerk van Schakerloo wordt nog dagelijks gebruikt; de toren verheft zijne slanke spits statig boven bet dichte geboomte van deze plaats. De Molens zijn in beweging; niemand vermoedt, dat èn die Kerk èn die Molens na verloop van een halve eeuw niet meer zullen bestaan. Maar geen enkel sterveling denkt ook aan een oorlog, die eenmaal zoo loodzwaar op de van niets bewuste bewoners zal komen te drukken.

Dan, vallen aan den zuidkant van de Gemeente geene groote veranderingen op te merken, aan den overkant der Schelde is daarentegen ontzaglijk veel gebeurd. De stad Rey-merswale, van het vaste land van Zuid-Beveland afgescheurd, staat als een groote burcht te midden in eene woelige zee; haar uitgebreid grondgebied ligt geheel onder het water bedolven. Het Kasteel van Loodijke, het bekoorlijke n Berc-kenrijsis verwoest; bet geboomte daaromheen verheft nog

wel zijne afgestompte takken , maar bet spruit in de Lente , in welke de natuur zich voorheen ook hier 'hulde in haar schoonste kleed , niet meer uit. Zelfs het gevogelte laat zijn gezang daarin niet meer hooren. Alle leven is ook uit het Kasteel geweken. Zijn laatste bewoner, heer Adriaan van liimiEKSWALE, de ridder van het Gulden Vlies, was zelfs in allerijl gevlucht naar Bergen-op-Zoom, om daar , bij zijn maagschap , van over de wateren het droevige schouwspel der verwoesting nog enkele jaren te aanschouwen.

Thans, bij ons overzicht, is heer Adkiaan niet meer. Hij, de nazaat van Nicolaas Keuvincx van Beymeiiswale , van den gewezen Baljuw van Tholen bij den aanvang der 15e eeuw, eindigde weinige jaren na die treurige gebeurtenis zijne dagen. Hij vond daar in Bergens sohoone kerk, niet in zijn slot te Loodijke bij zijne voorvaderen, zijn graf '). Deze Adkiaan van Reymerswale is gehuwd geweest met Joiianna van Gli-mes, dochter van Jacob van Glïmes, Heer van Grimbergen en van Elizabetïi van Boschhüysen, Zijn grafschrift en dat van diens vrouw Joiïanna luidt als volgt:    dfla&ilt j^EEOt

SCüi'tana öe ïSeptnergtaafe/ erjuttt attrato ®am. bc SEobnc / j©iEt$ti*lEii Ö^Bbbcne Et JjEbErgEtn/ gut ofifit anno ©I 4lfêap ac 3foDanna bE (Ö5ïtme^ / Sarofii 'SBarani^ a aBntn&EiRTE/ ftlia guaE o&tit anno fl^3I Jlfêartid / Sflaljamia filia optünig ^ai'Enttüii^ goc monuinEntum re^tautatc ac Eponiari tura bit*

Reymerswale, dat in 1528 nog vergunning had ontvangen om zijne Schepenen dagelijks in plaats van driemaal in de week , recht te doen spreken tot //gherief van syne kooplieden Reymerswale, dat in 1549 nog zoo groote vreugde bedreef bij de huldiging van Philips II, is van zijn glans beroofd; het treurt van wege den geweldigen slag, dien het van de woeste

wateren trof. "Voor het laatst heeft eene huldiging binnen de stadsmuren plaats gehad; voor het laatst is de Gemeente getuige geweest van eene zoo indrukwekkende plechtigheid. Nooit zal een stoet van aanzienlijken, van ridders en van vorsten, als bij die gelegenheid, hare kronkelende straten meer betreden, nooit een Landsheer in hare collegiale Kerk meer den staatseed doen. Een waarlijk treurige toekomst treedt de stad schoon nog behouden, te gemoet.

Wel geleek het hij de liuldigings-plechtigheid onder het naderen van de zoo sierlijk met vlaggen en wimpels behangen roeibargen, alsof nog een der welvarendste plaatsen moest worden bezocht; wel scheen het op het stadhuis //banketteerende” en door de geopende ramen geld onder het volk strooiende, alsof de vroegere welvaart daar nog heerschte, doch alles was meer het gevolg der omstandigheden, geen blijk meer van plaatselijke welvarendheid.

Neen, de stad kwijnt. Van 1530 af begon haar bloei te verminderen; zij boet thans bare beteekenis in, en haar strijd verloopt almeer in eene doellooze worsteling.

De commissie, die den Vorst en de .Vorstin voor de huldiging , bij het uitstappen aan den Minnedijk van den Hanekraai-polder verwelkomde, en bij monde van den pensionaris, Mabinus Cobneliszoon , toesprak, wees reeds op den treurigen toestand, waarin de Gemeente door de //overstelpingh” der wateren gekomen was, en een jaar later, in 1550, had de Keizer door den Stadsschout reeds verbod laten doen op het af breken van huizen.

Voortdurend heeft vervreemding van Stadsgoederen plaats. Reeds is een poldertje, weleer voor rekening der Gemeente bedijkt, tot delging van schulden te gelde gemaakt; vele andere eigendommen zijn mede verkocht, terwijl reeds over een aanzienlijk bedrag, door uitgifte van lijfrenten verkregen, 'is beschikt. Sinds lang moest bij de Landsregeering op uitstel van lasten worden aangedrongen, niettegenstaande men de aocijnzen of de inkomende Stadsrechten aanzienlijke verhooging had doen ondergaan.

Maar wonderlijke verschijnselen doen zich ook hier in het leven voor Hoeveel tegenspoed Reymerswale ook in de laatste tijden heelt ondervonden, de belangen van de Kerk en vooral die van liet Armwezen waren toch geenszins veronachtzaamd. Ook hier, waar sinds lang zooveel grondeigendom het erfdeel der armen geworden was, hadden voortdurend nog rijke besprekingen voor den II. Geest plaats gehad.

Niet lang geleden zonderde Catharina Knoppers, weduwe Coelghevens , niet minder dan 14 Gemeten eigendom voor den Armen af; een J Adriaanszoon te Poortvliet besprak daarvoor een belangrijk gedeelte zijner bezittingen, en P. P. Goor, mede op dat landelijke plaatsje woonachtig, schonk den II. Geest insgelijks eenig land, en dat alles geschiedde, terwijl van 1539 tot 1550 van wege het armwezen zelf, nog vier erfelijkc Stadsrenten met eenige pcrceelen eigendom nit eigen fondsen konden worden aangekocht!

Wat de Kerk betreft, ook aan hare belangen werd, even als aan die van den H. Geest, steeds gedacht. In 1483 stichtte Catharina. Knoppers een office daarin, dat kort daarop door den Bisschop David van Bourgondië werd bekrachtigd. Een jaar later besprak Gornelis Nicola aszoon eenige goederen voor haar tot vestiging eener // eeuwigh” jaargetijde en bij de opening van het testament van A P. Voxen bleek, dat ook van diens nalatenschap haar onderscheidene eigendommen waren toegedacht.

In 1490 had dezelfde Bisschop David van Bourgondië, P. Knoppers benoemd tot Regent van St. Jacobs-altaar, dat bij den dood van Catharina Knoppers in 1527 nog werd begiftigd met eene huizing in den Heer-Boudewijnspolder. Zeven jaar later, in 1497, stichtte de geestelijkheid een viearie tot onderhoud van twee schoolmeesters en tot aanstelling van twintig //habitateir of officianten,” ’t geen Bisschop Euederik van Baden met zijne goedkeuring bekrachtigde, en thans bij ons overzicht, onderhandelt M. O. Dijkgrave met den Deken van het Kapittel Af. Barnaertsz, over de overdracht van zijne geheele hofstede aan de Kerk!

Dan , zoo was het hier , zoo was het te '1'holen , zoo was het elders. De Kerk heeft altijd de armoede bestreden onder allerlei omstandigheden ; zij wilde die niet slechts verminderen en lenigen, maar had het in hare maeht gestaan. zij zou haar geheel hebben opgeheven. De Geestelijkheid vormde geen college van politiseerende Ileercn , maar beschouwde het als haar gewichtigste taak inzonderheid de zwakken te steunen , door in ’t bijzonder hunne belangen voor te staan. Het katholicisme, hetwelk het gezag tot zijn beginsel heeft, was schijnbaar erop aangelegd om den godsdienst cener aristocratie te zijn ; in den grond der zaak was het echter de godsdienst der armen.

Maar tot de verwoesting terugkeerende, niet alleen Key-merswale heeft ontzaggelijke schade geleden, ’t is inzonderheid de uitgestrekte omgeving, die op deerlijke wijze door den geweldigen storm getroffen is. Wel had de Keizer nog vergunning verleend tot herbedijking van den polder Machole; wel had deze Vorst de voordeelen in het deswege verleende »octrooi” zelfs later nog aanzienlijk uitgebreid; wel had hij eindelijk alle geïnteresseerden in de verdronken gronden tot het plegen van gemeenschappelijk overleg aangespoord, het opbrengen van dijkgeschot gelast, het steken van grond uit de meeste schorren toegestaan, de loonen van rijswerkers geregeld , doch alles te vergeefs: de zee heeft haar prooi behouden ; de ondergevloeide landen bleven door de zoute wateren bedekt. Een aanzienlijk gedeelte van Zuid-Beveland was, ondanks alle aangewende pogingen tot herbedijking, verloren.

De staande gebleven torens en kerken van de verongelukte dorpen steken hunne verweerde spitsen of gebroken daken eenzaam boven de woelige wateren uit. Hunne sterke muren zijn in den barren winter zelfs nog bestand do hevigste kruiingen van het ijs te wederstaan. Maar uit de sombere, spookachtige holten, tusschen die naakte en steeds druipende wanden, is alle leven geweken. Zelfs de kerk- of torenlcauw heeft hare voormalige schuilplaats in de liooge stelling-openingen van

die zware gebouwen verlaten, en over alles heerscht thans de geheimzinnige stilte van het graf. De omgekantelde muren der vervallen woonsteden zijn met wier begroeid; de altaren liggen onder de ingestorte kerkgewelven verbrijzeld; vele graven zijn door de woeling van het water onder het zand geschuurd, van andere is de grond, die ze bedekte, verdwenen. Verwoest is het bekoorlijke woud, verwoest ook al wat kunst en vlijt daarin had bijeengebracht Voorbij is de zang en het gejubel der inenschen, voorbij de zang der vogels, die bij de aankomende verwoesting ijlings en met schrik de bosschen ontvluchtten en thans in de enkele schrale twijgen geenerlei beschutting meer komen zoeken De natte boomstronken langs de verwoeste hofsteden en de wegen staan als in rouwmantels gehuld; de wegen zelf, meestal in oorspronkelijke geulen aangelegd , zijn uitgegroefd of weder in diepe waterwegen herschapen, Alles is veranderd. Veel heeft plaats gemaakt voor andere toestanden, die blijvend zullen zijn, want ook de verdwenen nijverheid zal hier niet meer ontwaken uit haar doodslaap, waarin zij sinds lang als verzonken ligt. Beeds bevaren waaghalzen van schippers de groote overstroomde vlakte, liene andere, gansch. nieuwe nijverheid, schijnt op de verdronken streek te worden gedreven. Half naakte visschers dwalen op de ten deele'verzande gronden om. De grootelijks ont-bloote akkers worden verveend; de slooten , eertijds met wilden overvloed van struikgewas begroeid, lijden aan verebbing door de losgewoelde aarde, en tal van lieden houden zich van tijd tot tijd bezig, om datgene van de ingestorte getimmerten tot zich te nemen, wat voor de optrekking van nieuwe gebouwen in gelukkiger streken nog te gebruiken is 1). ’t Zijn alzoo ook de handen der menschen, die helpen sloopen, wat de wateren nog niet vermochten te verbreken. Maar al trad geen enkel sterveling daarvoor met spade en breekijzer op, de ver-

■) Het was aanvankelijk gevaarlijk de overstroomde vlakte te bevaren door de vele uit den grond stekende voorwerpen.

dronken plaatsen kunnen haar noodlot niet meer ontduiken; slechts de zee zou hare laatste sporen langzamer doen vergaan. Dan, wat ook thans worde weggehaald, de ontzaggelijke slik-en watervlakte is overal nog bezet met overblijfselen van voormalige bewoning; men ziet deze, zoover het oog maar dragen kan. Bij stil zomerweder weerkaatsen de ruïnen met het gebroken geboomte nog allerwegen in de zee; bij hevige winden veroorzaakt de golfslag op die staande gebleven voorwerpen een sterke branding, en veel wordt alsdan voor altijd geveld. De treurige gevolgen der rainp van 1580 zullen ook spoedig gevoeld worden door Tholens geërfden in het reeds zoo dikwijls door de wateren geteisterde Schakerloo. Doch ’t is niet alleen Schakerloo dat de nadeelen van den ondergang der streek zal ondervinden. Bij zuidelijke en zuidwestelijke winden liggen zoowel de kusten van Tholen als van Nieuw-Strijen en Scher-penisse, langs de Schelde, nu aan een zwaren golfslag blootgesteld; een kostbaar, een gevaarvol onderhoud, zal daarvan het onvermijdelijke gevolg zijn, terwijl bovendien een gewichtige omkeering op stroomgebied voor deze overliggende waterschappen te duchten is.

Wat de bedrijvigheid te Tholen betreft, onderscheidene takken van nijverheid worden, doch evenals elders, in ’t klein beoefend. Nog verschaft de zoutbereiding aan velen brood. Wel is het met dien tak van bestaan niet zoo druk als voorheen; wel is het ook //strenglyck” verboden de binnengronden te vervenen, doch langs de stadswallen, aan den buitenkant, treft men toch nog tal van zoutkeeten aan De Keizer heeft de binnendijksche graving van derrie, zoo onmisbaar voor die zoutbereiding wel verboden , doch aan dit verbod alsnu de vergunning toegevoegd, dat een iegelijk boomen of houtgewas mag planten langs de zijkanten der wegen tegenover zijn erf 1).

') Boxhorn op Reygersbergh , deel I, bladz. 114. Zie ook bladz. 97 van deze beschrijving.

Ook in vlas wordt druk gedaan. De landbouwers zonderen jaarlijks heele //blokken” daarvoor af; de minderen huren eene oppervlakte, als voor hun gewoon gebruik wordt vereischt. De meekrapteelt bloeit; alle landbouwers verbouwen meekrap , weshalve men in de stoven den ganschen winter door werkzaam' is. Veel wordt daaraan aan dagloon verdiend, terwijl de kuiperijen, als gevolg dier teelt, bezigheid vinden in overvloed.

De bekramming aan de zeedijken is toegenomen. Schier alle dijken worden daarmede tegen afslag voorzien. Meer duurzame dijkwerken treft men niet aan. Elk jaar vordert deze verdediging vernieuwing. Oud en jong vindt daarmede dan weken of maanden achtereen winstgevende bezigheid. Wel worden de matwerken op de meest aangevallen plaatsen reeds met //schorresteen” belegd, doch deze steenbelegging oefent op de hoeveelheid dier voorziening geen invloed uit *). De steen wordt bij de vernieuwing der bekramming opgenomen, en later in langsohe rijen daarop weder ordelijk nedergelegd. Er zijn echter polderbesturen, die peinzen , om die in hun oog zoo vergankelijke, jaarlijks terugkeerende voorziening, door eene andere, meer duurzame, bekleeding, te vervangen; het rijsbeslag, belast met steenbezetting, staat voor de deur 8). De kunstmatige stroobedekking op de dijksbeloopen zal alzoo eerlang vervangen worden door eene bekleeding , waarvan de lioofdbestanddeelen zijn hout en steen; maar later zal ook deze weder moeten plaats maken voor eene verdediging van steen op steen, en eindelijk zullen wij het mensehelijke vernuft werkzaam zien, om ook in die wijze van voorziening weder verandering te brengen door een voortdurend streven naar een nog meer duurzaam materiaal; des menschen natuur verlangt geen gedurigen terugkeer van werk; zij wil uitsluitend uit-

‘) Zie de oude polderrekeningen.

a) Het minder arbeid vorderende rijsbeslag werd tegen liet einde der i6e eeuw schier overal aangewend. Zie voor de verder aangebrachte veranderingen het vervolg van dit werk.

winning van arbeid , en wat door dit onophoudelijk streven , ook op het gebied van het dijkwezen, is uitgewonnen, zal bij latere overzichten ons eerst recht duidelijk zijn.

Offline webmaster

  • Administrator
  • Full Member
  • *****
  • Berichten: 133
  • Geslacht: Man
  • local historian
  • -Locatie: Willem van Beierenstraat
Re: Geschiedenis stad tholen uit HOL1 - 5 vanaf 1552
« Reactie #1 Gepost op: augustus 05, 2017, 04:37:08 pm »

Het graan wordt nog met de hand gezaaid , de oogst uitsluitend met werklieden opgedaan. "Van vroeg in ’t voorjaar tot laat in ’t najaar is steeds allerwegen vraag naar werkkracht, Velen verdienen hun dagelijksch brood op het land , en niet weinigen vinden bezigheid met het vervoer van hetgeen door kunst en nijverheid wordt voortgebracht.

Nog bestaat van eene absolute scheiding van de maatschappij in twee klassen van personen, in bezitters en niet bezitters, in werkgevers en arbeiders , in heeren en loondienaars en in rijken en armen geen zweem; het kapitaal slaat uit alles nog geen munt; de meeste, zoo niet alle bedrijven, worden nog gevoerd met eigen middelen. Toch zijn de loonen van hen , die in daghuur werken, in verband met velerlei levensomstandigheden , weder niet meer zoo gunstig als in ons vorig overzicht , want enkelen zinnen ook op landbouwkundig gebied , op besparing of uitwinning van arbeid. En, wij merkten het reeds op, inzonderheid uitwinning van arbeid, gepaard met inkrimping van loon, vormt kapitaal, meestal ten koste van de breede schare , die, zooal niet uitsluitend, dan toch hoofdzakelijk met arbeid en loon te rekenen heeft.

Ziedaar dan de stad en hare naaste omgeving omstreeks de helft der 16e eeuw. Veel zagen wij in ons vorig tijdperk ontstaan , veel vergaan. Is volgens een groot dichter, de mensch slechts een droom van een schaduw :) ook zijne werken gaan, wij ervaren het, meestal even vluchtig voorbij. Veel is er, dat wij nooit meer in den tegenwoordigen toestand zullen zien; veel zal bij een volgend overzicht daarentegen aanwezig zijn , dat thans niet bestaat, en was dit immer zoo, was het hier op aarde altoos een verschijnen en verdwijnen, het tijdperk, dat

wij alsnu staan te behandelen, zal inzonderheid blijken rijk te zijn aan waarlijk ingrijpende veranderingen.

YERYOLG DER GESCHIEDENIS.

In 1553 wendde het stedelijk bestuur zich weder tot den Keizer. Ditmaal echter niet om het een of ander voorrecht of //octrooi” voor de //arme stadtmaar voor zich zelf. Men had kort na den brand van 1452. afstand gedaan van de tabbaards uit de fondsen der stad, uit oorzaak dat de omstandigheden niet toelieten zulke offers langer te eischeD 1). Toch bleven de tabbaards noodig, doch ook de Magistraat verkeerde onder den druk der tijdsomstandigheden. Men deelde den Keizer mede, dat in //overoude tijden” het Bestuur uit de stadsgoederen jaarlijks zekere //gagiën” genoten had, te weten de Baljuw met de beide Burgemeesters elk 10 Carolus guldens, de Schout, de Schepenen en de Secretaris, elk '8 zoodanige guldens, de Schout met de Schepenen van Schakerloo en de Stadsbode elk 4 guldens, alles ten behoeve van een jaarlijk-sohen tabbaard, waarmede zij, door den Baljuw of den Officier ontboden, moeten verschijnen 324 325).

Ook de Magistraten van Goes, Zierikzee en Reymerswale • hebben tabbaards uit de stedelijke inkomsten, weshalve zij alsnu Zijne Majesteit verzoeken die insgelijks te moge-n ontvangen,

De Keizer, op dit stuk voorgelicht door zijn rentmeester, FiiANpois Rezen , stond de daarvoor verzochte gelden toe, dooli gelastte, dat de daarvoor te maken tabbaards allen zouden zijn van dezelfde kleur, terwijl de dragers daarmede zouden optreden , zoo dikwijls dit mocht blijken noodig te zijn, ook om //Recht te doen” in ’t belang van zijne Domeinen. De Commissarissen werden alleen onder die voorwaarden gemachtigd , de uitgaven, daarvoor in de rekening gebracht, goed te keuren.

Zoo dan konden de Heereu weder kosteloos getabberd ten stadhuize verschijnen, iets wat sinds hun vrij willigen afstand van die kleedingstukken niet het geval was geweest 1).

Eranqois Rezen, de man, door den Keizer op de zaak gehoord , woonde te Tholen. Hij behoorde tot een der aanzien-lijkste geslachten van de stad, zooals uit zijne betrekking, als Rentmeester van ’s Keizers domeinen, dan ook wel is op te maken. Tan 1560 tot 1569 treffen wij hem ook als Baljuw aan, doch van die betrekking schijnt hij in laatst genoemd jaar vrijwillig afstand te hebben gedaan. Na de aftreding van Gregorio bel Plano , in 1579, bekleedde hij die waardigheid weder tot aan zijn einde, dat gesteld moet worden tus-schen 1586 en 1587. Zijn broeder, Pieter Rezen, die jaren achtereen voorkomt als Secretaris en Raadsheer, wordt onder de geleerden gesteld. Van hem bestond ten tijde van La RtjS nog een goed bewaard en sierlijk handschrift, bevattende eene berijming der Psalmen in het Latijn Achter de Psalmen volgde eene uitbreiding van het Gebed onzes Heeren in proza, insgelijks in het Latijn. Het boekwerk, dat voor zooverre mij bekend is, nooit in druk verscheen, werd in 1575 opgedragen aan zijn zoon 8)

In 1555 deed Kabel V afstand van de Regeering. Zijn zoon volgde hem als Graaf van Zeeland op, en ook Tholen kreeg in dien zoon zijn nieuwen Heer. Juist in het jaar, waarin de Keizer zich uit het staatkundig leven terugtrok, waagden de Heeren van Vosmeer eene poging tot afsluiting der Eendracht. Deze stroom, eertijds op hun last gegraven , was ondertusschen zoozeer in vermogen toegenomen , dat hun gebied daardoor werkelijk als in tweeën lag gesplitst. De af-

5 Zie bladz. 346 van dit werk. s) La Ruë, Geletterd Zeeland.

sluiting ondervond echter veel tegenkanting; zij werd door de stad tegengewerkt tot voor den Hove van Holland en Zeeland, zooals wij reeds liiervoren hebben opgemerkt 326).

De afdamming, die Zeeland zijne aloude grens langs Brabant zou hebben doen behouden, kwam niet tot stand; de gegraven geul stond sinds lang als vaarwater bekend, hetgeen ook blijkt uit de volgende, hier en te Gorinchem afgelegde, sehriftelijke verklaring. Het desbetreffende stuk te Tholen opgemaakt, luidt als volgt; //Wij Burgeneesters, Schepenen ende Raidt der // stede en lande van der Tholen, oireonden een ygelieken, cer-// tifieeeren midts deze voer de gerechte waerheyt, dat op huy-// den datum van dese, voer ons gecomen ende in properen // personen gecompareert syn, de eersame ende bescheyden man-//nen Joris Jacopsz. oud ontrent tachtigh jaren; Coknelis //Hermansz., landmeter, oudt ontrent tachtigh jaren; Claes //PiETEitsz., eertijds wethouder der voersz stede, oudt ontrent // een en seventich jaren; heer Pieter Henbriksz. Block , //canoniek in de collegiale kereke binnen den voors. stede van // der Tholen, oudt ontrent seven en sestich jaren ende Gor-//eblis Lamsz., cleermaker, oudt ontrent 66 jaren, poorters //ende inwoenders der voirnoemde stede van der Tholen ende // aldair van jonex opgevoedet ende gefrequenteert, dewelcke //rechterlick daertoe bij den gesworen stadtbode gedachvaert // waeren om ghetuychenisse der waerheyt te geven, ende heb-//ben respeotive bij heuren behoorlicken eede in handen van //den Balluw den voirnoemder stede met opgeheven vingeren // gedaen, geseyt, geaffirmeert ende verclaert waerachtigh te // syn , dat de riviyre van Eendrecht, lopende voorby de stadt //van der Thoelen, lanex deur de heerlickheyt van Vossemaer, //die de heerschappen onlancx gecondicht hebben te willen // stoppen, altijd soe langhe als hen luyden ende een iegelicken // van hen kan gedeneken , geweest is eenen gemeenen deurvaert

// van eenen igelicken ghebruyckt, ende dat sy oick dcselve // riviyre noyt anders hebben hoeren noemen dan Ecndrecht, //noch dat dezelfde rivieyre heuren cours andersins genomen //ofte gehadt en heeft dan die alsnochter tijt, en doet affir-//meerden ende verclaerden oeck respective de voersz. compa-//ranten, dat sy heuren ouders anders noyt de voers. rivieyre //en hadde hoeren noemen dan voers. Eendrecht.

//De voern. Joris Jacobs daerbij seggende, dat hy synen // ouders, vader en groetevader, sittende bij hen, kinderen, di-// versen heeft hoeren seggen, dat sy luyden altijts hen geneert //hadden binnen der stede van der Tholen voernoempt mette //navigatie op Hollandt, ende dat in heuren tijt binnen der //stede van der Tholen seer veel schepen off uijter haven op //Hollandt frequenteerden, ende dat hij Joris zelffs in zijner //tijden geweten ende gekent heeft ontrent de ses en twintigh // heude schepen, zonder andere , dyer meer waren, van welcke //ons de namen van de schippers noemde; de voors. heer Pie-z/ter, seggende, dat hy in synen jongen dagen gesien ende // merck daerop genoemen heeft, dat eenige oude priesters ende //andere goede mannen, dagelicks heur wandelinge neffens de // voers. rivieyre maeckte, om de schepen, die daer deur quamen //te sieyn passeeren, seggende oeck de voirnoemde comparan-//ten, dat sy luyden noyt fame ofte eenig gewacht gehoort //hebben gehadt van joncx, dat hen gedenken kan, dat men //de rivieyre stoppen offte toedycken wilde, hoewel sy luijden //geweten hebben, dat die heerscappen van Yossemaer aldaer // lancx de voirs rivieyre ghedyckt hebben gehadt twee of drye //polders, anders dan dat omtrent sesthien ofte achtien jaer //herwaerts toen een Anïhonis van Wissekerckjs in ’t regi-//ment van Vossmaer quam van sulcx gehoort hebben. Twelck // wy borgemeesters en wethouders voernoemd als des voers. is, //zoo lange ons gedencken kan ende voer staet, mede attes-//teren waeiachtich te syne, alle dingen sonder argelist, ende //want men van allen waerachtigen saycken schuldich is ende //belioirt getuygenisse der waerheyt te geven, bijsonder noot

// synde, sop, hebben \vy Burgemeesters, Schepenen en raidt //voirn'1. ter oiroonden van dese ’tzegel ter saicke der voers.

// stede op 't spaoien van dese gedrnekt.

«Ghedaen op ter Stedehuys binnen der voirn. stede van //Tholen op ten sesden dach van Septembris an° 1555.

//My present Pieter Rezen.”

De volgende, is eene dusdanige verklaring van wege de stad Gorinoliem:    //Wy Sander van dek. Weteringe Liebertsz.

//en Alaert de Haen Mathyszoon, scepenen der stede van // Gorinchem doen condt ende certifieeeren een yegelicken voer // die gerechtigde waerheyt, dat op huyden dato van dese voer // ons gecomen ende gecompareert sijn in properen personen, //Rut&er Jansz. oudt omtrent jaer, Jan Jacorsz. alias //Jonchan, oudt ontrent 70 jaer, Leenaert Jansz., oudt on-*trent 70 jaer en Henrick Claesz. oudt ontrent 75 jaer, //allegaders schippers en inwonende poirters der voirs. stede. // Ende hebben aldaer ter instantie ende rechtelijck versoeck van « de Burgemeesters derselver stede met opgerechten vingkeren //volstaeffs eeds, lijfllick aen den heylgen gesworen, ende by //den selven haeren eede rechtelyck ende solempnelick daertoe // vermaent wesende, eendrachtelick gedeposeert, getuycht ende // verclaert, warachtigh ende henlieden wel kenlick te syn ende //claerlicken voer te staen, dat geleden over de jaren 60, 70 // off langer, immer alsoe langhe ende verre als henluyden me-// morie streckt ende als sy luyden gevaren hebben van de Gor-//comsche haven op Antwerpen ende voirts op andere steden n van Brabant, de rivieyre gelegen ontrent St. Annalandt, //streckende voirby de stede van der Tholen genoemt het Vos-//semeer, altyt een ghemeyne vaert geweest is voer de schip-•// pers die uyt Hollandt op Brabant vaeren, ende dat de voirs. //rivieyre van Vossemeer altijt deselve oanael, ghoote, loop en //’t selve diep geliadt heeft, zulox als die nu ter tijdt haeren //cours ende loop heeft, ende dat deselve rivieyre is een ge-// scheyt tusschen Brabant en Zeelandt, want ’t lant aen d’eene «zijde is Brabant ende aen d’ander zijde is Zeelandt; tuychen //de voers. depossanten noch soe veel meer, indien sy ende // andere schippers die uyt Hollant op Brabant dagelicx vaeren, //haer vaert deur de voirs. rivieyre van Yossemeer nyet hebben // en mochten, ende buyten om souden moeten vaeren, dat sy // dan diokwijls by onbequamen wynt wel ses, zeven offte acht // dagen tusschen wegen op een reyse souden moeten blijven, //’t welok sy anders, deur Yossemeer varende, wel in eenen //dach afflegen en bereysen; oock mede indien sy ’t selve // Yossemeer nyet en mochten gebruycken, dat sy dan dik wils // by storm van wynde en ander onweder perikel soude vinden // van haer lyv en schepen ende ghoeden, dewelcke sy bij sulcke //tenpeesten, in ’t Yossemeer berghen ende salveren, ende dat //sy disposanten dit wel weten is bij dien dat hem sulcx als //voers. staet, diek ende menichmael wedervaren is 1). Al // sonder areh off list, ende des ’t oirconden hebben wy scepe-// nen voorss. elcx onsen zeghel hier onder aengehanghen. Ge-//daen ende gegeven op ten vyften Octobri in ’t jaer ons //Heeren 1500 vijff ende vijftich.” 3)

Uit deze beide stukken blijkt, dat destijds drukke vaart bestond van Tholen op Holland; van Gorinchem bestond hoofdzakelijk vaart op Antwerpen of Brabant. De afsluiting van de rivier, die men hoogstwaarschijnlijk heeft willen bewerkstelligen bij Slabbekoorn, kwam niet tot stand Daar, bij den polder Slabbekoorn was de gesteldheid van den stroom bet smalst, wijl tegenover deze bedijking sinds lang de Heer-Boudewijns-

>) Zie in verband daarmede hetgeen hiervoren is opgemerlct omtrent de grootte der vaartuigen bladz. 390.

s) Deze verklaringen door de stadsadvokaten verzocht, zullen ongetwijfeld veel hebben bijgedragen tot den gunstigen afloop van het geding voor Tholen. En toch was het hoogere deel van de Eendracht oorspronkelijk een gegraven geul, tot stand gebracht ter bevordering van de droogvalling der gronden. Eens was Oud- en Nieuw-Vosmeer, het gekochte eigendom van Ambachtsgerechtigden, één. De oudere waterwegen, bestaande in de Ver-Trizenvaart en den Vosvliet, waren sinds lang gesloten. Maar niemand heugde dit.

polder bestond. Hooger op lagen aan den overkant nog altijd breede slikken, allerwegen . doorgroefd met diepe kreken.

Tn 1556 had het stedelijk bestuur zich gewend tot Philips II, zijn Heer en Yorst. Men had verhooging aangevraagd van onderscheidene accijnzen, die de Koning had toegestaan. Philips zelf noemt de stad //zeer oudt en vervallen;” hij zegt, dat zij grootelijks was //verachterd” door overstroomingen, tengevolge waarvan zelfs een groot //muyrpandt” was bezweken l). Tn 1565 verlengde de Vorst het daarop betrekking hebbende «octrooi,” nadat kort te voren door den Magistraat weder tal van klachten waren ingediend. Onder andere was door de Wet medegedeeld, dat de rekening van 1561 was gesloten met een tekort van 80 £ Vis., iets wat men grootelijks weet aan de inlegering der Spaansche troepen en aan het vernieuwen van den stadsmolen op den wal a). Het stadsbestuur had ook geschreven, dat de inkomsten van de Gemeente jaarlijks slechts 500 gulden beliepen, eene som ganschelijk ontoereikende om daarmede in de noodwendigste behoeften te voorzien, waarom men aan het verzoek tot verlenging van het //octrooi” dan ook een ander, dat om vergunning tot uitgifte van lijfrenten, had vastgeknoopt 327 328 329).

De stad was in 1559 bij de invoering der nieuwe bisdommen ook in andere moeielijkheden gekomen. Tholen, Scha-kerloo en Vosmeer, gemeenten die van den aanvang af gesteld waren geweest onder den Bisschop van Luik, waren alstoen gevoegd bij het Bisdom Middelburg, over hetwelk Nicolaas de Castro , als eerste Bisschop gezag voerde. De stad maakte bezwaar zich naar de inzichten van den nieuwen Kerkvoogd te schikken, tengevolge waarvan deze in 1563 genoodzaakt was //een Eerweerdheyts Gecommitteerde” te zenden om hier

met de betrokken Besturen in overleg te treden en deze te hooren op de bezwaren, die nit de toevoeging van deze heerlijkheden aan het nieuwe Bisdom, waren ontstaan. Uit de samenspreking van den Gecommitteerde met de Besturen blijkt, dat Tholen //merckelijcke swarigheden” had, om zich tot de nieuwe orde van zaken te schikken; wijl het daardoor zijne voorrechten zag bedreigd. Ingevolge de Keuren van Jan van Blois, van 1866, bezat de stad het privilegie, dat //in gees-telijcke saecken nyemant voirder” mocht worden gedaagd, dan voir den autaer in de kercke,” op het behoud van welk voorrecht men aandrong. Deze bepaling was door den gever van het groot privilegie in de uitgebreide Keuren opgenomen, omdat, zooals hij eenmaal //verstaen hadt, het lant van der Tholen dairop bedijckt was.” Te allen tijde was dit voorrecht een-bedijkingsvoorwaarde, door den Bisschop van Luik geëerbiedigd , zooals blijken kan uit een in 1438 door het stadsbestuur overgelegd advies aan die van Dreischor, van welk stuk alstoen nog een genotuleerd afschrift in het Begister van het Kapittel van Kanunniken aanwezig was. -De Bisschop erkende Tholens goed recht, en daar hij wenschte, dat, zoo voor zich, als voor zijne rechtverkrijgenden //alle poincten, artikelen, privilegiën, usantiën en concordaten onverbreecklyck souden worden onderhouden,” sloot hij met Tholen en de Heeren van Yosmeer eene overeenkomst, waarbij beide partijen werden bevredigd en waardoor de naleving der privilegiën scheen verzekerd. Dan, zooals wij later zullen zien, ging het niet, zich strikt aan die oude bepalingen of voorrechten te houden: er volgden vonnissen, welke niet door Tholens geestelijken voor het Altaar, maar door Alva’s dienaren , ver onder den vreemde, werden geveld, doch daarover later J).

Maar wij worden genoopt onze aandacht tot eene gansch

andere gebeurtenis te bepalen; wij moeten de Geschiedenis der stad even laten rusten, om ons weder met een dier verschrikkelijke natuurverschijnselen, als van 1530, waardoor de aarde in de wilde wateren scheen te zullen verdrinken, eenige oogenblikken bezig te houden.

Wij weten het, Zon en Maan ontvingen eenmaal het bevel, om de watergetijden te helpen voortbrengen; om de zee bestendig te bewegen , en haar voor bederf te behoeden, iets waartoe haar bitter zout op zich zelf niet in staat zou zijn. Ook de dampkring is gedurig in beweging en gelukkig, want een gestadige stilstand in deze zou doodelijk zijn. Eene gedurige verbreking en herstelling van zijn evenwicht, doet de winden ontstaan, maar zoowel de verkwikkende zomerkoelten, als de woedende stormen en orkanen, zijn, ’t is ons hekend, de gevolgen daarvan.

Het zijn jnist die beide verschijnselen der natuur, de watergetijden en de stormen, die, samen werkende, ons de zondof watervloeden aanbrengen, verschijnselen, die de Schepper stellig bond aan eeuwige, onverbreekbare wetten, schoon wij het verband daarvan en de juiste tijdperken der uitwerkselen nog volstrekt niet kunnen bepalen.

’t Is ook bekend, dat de stormen van het Noordwesten tot het Noorden , de zee rechtstreeks op onze kusten aandrijft, en dientengevolge alleen hierom het getij hooger doet gaan, als naar gewoonte Maar valt nn zoodanige storm voor, omstreeks den tijd van volle of nieuwe maan , of twee dagen na die schijngestalten, als wanneer zij de hoogste getijen veroorzaken, dan valt het niet moeielijk te begrijpen, dat, woedt de storm eenigen tijd voort, de zee zich ongemeen hoog moet verheffen.

Zoodanig samentreffen van omstandigheden had plaats op 1 en % November 1570, toen de springvloed, aangezet door een woedenden storm nit het Noordwesten, tot een dusverre ongekende hoogte klom, en de gemoederen weder met schrik en angst vervulde.

Wijl dit verschrikkelijke stormgetij hier in dit Gewest voor-

viel op 1 November, werd het in de geschiedenis bekend onder den naam van den Allerheiligen vloed; anderen bestempelen het met den naam van Allerzielen vloed, wijl bij hen het zwaarste getij voorviel op 2 November. En daar in vroeger tijden reeds vier zware stormvloeden op 1 November waren voorgevallen, heette deze in de geschriften steeds de 5® Allerheiligen vloed.

Dat het water, tot geweldige hoogte opgezweept, velen op een allerbedroevendste wijze moet hebben verrast, is alleen hieruit duidelijk, dat in Zeeland omtrent drie duizend , doeh in Friesland wel twintig duizend menschen door den storm-, vloed zijn omgekomen. Ook Groningen leed in ’t bijzonder; het water, verhaalt men, vloog daar voeten hoog over de dijken heen, en het getal der verdronkenen in dat Gewest wordt op negen duizend bepaald. De ellende , hier en elders veroorzaakt , was onbeschrijfelijk; sommige landen waren letterlijk van elkander gescheurd ; de beesten waren verdronken in de stallen, de menschen op hunne bedden.

Bamianus Steada , reeds vroeger aangehaald, zegt dat dit stormgetij, hetwelk vier en twintig uren duurde, nog dén voet hooger liep, dan dat van 1530. Het getij kwam te Gent tot voor de Keizerspoort; te Antwerpen, waar het ontzaglijke massa’s goederen bedierf, vloeide het tot in de Onze Lieve Vrouwe Kerk. Sas van Gent liep in; Brugge, Duinkerke, Greveninge, Nienwpoort, Ostende, Watervliet en vele der omliggende plaatsen leden groote schade, en overal verdronken menschen.

Ook de Zeeuwsche eilanden waren deerlijk getroffen Geheel Saaftingen lag overstroomd. Alleen in Walcheren was de schade minder zwaar. Zuid-Beveland daarentegen was geheel ondergevloeid, door welke omstandigheid velen hun dood gevonden hadden in de golven. Ook in Schouwen was het treurig ge-, steld; Duiveland, waar de ellende aan menschen en vee veroorzaakt, ontzettend was, lag bijna geheel onder water, terwijl in Elakkee meer dan zeventig polders waren overstroomd.

In Holland brak de dijk bij Papendrecht door, en bij Kralingen vielen zeven dijkbreuken, tengevolge waarvan velen waren verdronken. De straten van Dordrecht, van Rotterdam en andere plaatsen stonden drie voet diep onder water. Ook brak de Diemerdijk door, waardoor groote schade ontstond tusschen Amsterdam en Muiden.

Te Amsterdam teekende men de hoogte van dit getij aan de Damsluis aan, met dit tweeregelig versje er boven, van hetwelk de uitstekende letters juist het jaartal opleveren.

Het Jaer en peH hier aengeWesen Is Hoe op noVeMber De zee gereesen Is.

Te Scheveningen steeg het water tot ruim drie voet in de Kerk en 128 woningen spoelden weg 1). Te Katwijk stortten 50 huizen in, terwijl te Wijk aan Zee, te Egmond en te Zandvoort overal groote schade ontstond en velen verdronken.

In Waterland was de ellende schier onbeschrijfelijk; ook de Zijpe liep onder, waardoor ruim 100 woningen diep in ’t water stonden, van welker bewoners te nauwemood eene enkele werd gered. Huisduinen werd van beide kanten onder het voortgezweepte water bedolven, zoodat ook daar vele menschenlevens te betreuren vielen.

Ook de Zuiderzee veroorzaakte geweldige overstroomingen; maar waar te eindigen, indien wij al de rampen, door dit stormgetij zoo hier als elders teweeggebracht, wilden aanstippen? Het getal toch van hen, die door dezen vloed zijn omgekomen, wordt op niet minder dan 400000 geschat! En 330

of dit cijfer nu grootelijks overdreven is, wie zal het ons zeggen ? Doch afgaande op de opgaaf der verongelukten in het werkje van Outhof, dat alleen voor Zeeland, Friesland, Groningen en enkele plaatsen in Oost-Priesland het getal van 41596 vermeldt, en lettende op hetgeen in de naburige kustlanden is geschied, weet men waarlijk niet, wat van die opgaaf te moeten denken.

Dat een stormvloed als deze, ook voor Tholen niet zonder uitwerking bleef, is lichtte begrijpen. Ja, zwaar werden ook hier de gevolgen daarvan gevoeld. De polders Deurloo en Broodeloos werden weder onder het water bedolven , en door hunne overstrooming, had ook ditmaal de zee toegang gekregen tot Sehakerloo en Vijftienhonderdgemeten. Het eerste dook diep onder water, en was het nadeel aan eene dusdanige overstrooming verbonden groot, groot was bovendien de schade, die hier aan de dijken was ontstaan.

Nog te nauwernood waren ingelanden de rampen van 1530, 1532 en 1552 te boven gekomen, toen hen dit ongeluk trof. Het gezaai ging ganschelijk verloren; het graan in de schuren was bedorven, en wat de grond betrof, deze was vooral in het laag gelegen Sehakerloo, ook door dien watervloed voor jaren van zijne vruchtbaarheid beroofd.

Broodeloos, de polder die sinds zijne bedijking in 1403 , doorgaande rampspoedig was geweest, bleef drijven. Wel werd door Koning Philips II op 2 December bepaald, dat ook de vroonlanden in de herbedijkingskosten zouden dragen; wel werd gezegd, dat indien de herbedijking niet binnen vier maanden ondernomen werd, deze alsdan voor gemeenschappelijke rekening van de grondeigenaren dér binnenpolders kon geschieden, doch alles vruchteloos: de polder, groot 163 Gemeten, bleef onbedijkt en thans is het geringe overschot daarvan, bestaande uit eenige naakte slikken, bij de varenslieden onder den naam van //Brulooze” bekend.

Deurloo, dat insgelijks eene //Ordonnantie” van Koning Philips II ontvangen had, werd herbedijkt; dan, onder welke

omstandigheden en tegen welke geldelijke offers, daarvan vindt men niets vermeld.

Ook Sclierpenisse bezweek. De wateren braken den dijk beoosten de oude zeesluis vaneen, waardoor ook die Gemeente groot nadeel ondervond. Toorts vloeiden nog in St. Maartensdijk, Moggershil, Anna-Vosdijk en het Karnemelklands-poldertje onder Tosmeer.

Bij de tegenspoeden en rampen, waarmede men in de laatste tijden te kampen had, kwam eindelijk ook de druk van den oorlog. Tholen, een der versterkte plaatsen van dit Gewest, ontving reeds op 2,5 April 1572 vast garnizoen, onder het opperbevel van den Spaanschen Overste Mondbagon. Daar de stad nog grootelijks op middeleeuwsche wijze was versterkt, werden spoedig groote veranderingen in de verdedigingswerken aangebraoht, doch dit alles strekte zoozeer tot vermeerdering van de lasten der ingezetenen, dat weldra het Stadsbestuur zich letterlijk niet meer //wist te keeren offte te wenden.” Het besloot, om aan den Honing het voorstel te doen tot het heffen van een geschot over al de Gemeten van het Eiland, ’t geen werd toegestaan. Tier Grooten op het Gemet over al de schotbare gronden zou voortaan voor Tholen worden omgeslagen. Dan, ook daarmede was de Gemeente met haar talrijk garnizoen niet uit hare //benauwdheid” te redden Het Stadsbestuur werd zelfs genoopt zich andermaal te wenden tot den Torst; het moest hem te kennen geven, hoe zware last de arme burgers van de Spaansche soldaten te torschen hadden gehad, tijdens de Koningin te Bergen-op-Zoom had vertoefd; dat de Gemeente sinds 1572 voortdurend bezwaard was geweest met garnizoen, dat de burgers en de landlieden hebben moeten //traoteeren ter discretie ende be-lieffte van de capiteynen ende van elck van de soldaten in ’t particulier tot ruïne ende bederffenisse van verscheiden personen.” De Heeren van de Wet merkten tevens op, dat de stadsfinanciën zoodanig waren uitgeput, dat de Gemeente, al had zij in geen tien jaar eenige uitgaaf te bestrijden, hare

//verachtering” toch niet zou te boven komen; zij deelden tevens mede, dat de kostbare versterking der stad, thans ondernomen , ook ten bate kwam aan de bevolking van het platteland, om in tijd van nood, bij de eene of andere //invasie” daarin //hunne personen en goederen te solveeren,” zooals reeds geschied was *). Zij gaven te kennen , dat het niet meer dan billijk was, het geheele land in de versterkings-kosten te doen dragen, in welk geval men ook de arbeiders voor het werk niet meer behoefde te dwingen. Men verzocht daarom, dat het Zijne Majesteit behagen mocht, machtiging te geven tot heffing van 8 Grooten Vis. per Gemet, boven de reeds toegestane 4 Grooten.

De Koning, overtuigd van den nood, waarin de stad verkeerde, willigde ook dit verzoek in, onder beding, dat van den omslag jaarlijks rekening en verantwoording zou worden gedaan, en de omslag zou eindigen met de voltooiing der ver-sterlcingswerken.

In hetzelfde jaar verzocht en verkreeg de Gemeente tevens vergunning tot verhooging van onderscheidene accijnzen. Tot het zien inwilligen van dit verzoek, had de Magistraat andermaal geschreven, //niet te weten, waer zich te keeren of te wenden,” vreezende overal //gearresteert ende opgehouden” te worden. Men had zelfs de Hoofdmannen en de Dekens der gilden met de //principaelste” ingezetenen bijeengeroepen tot het beramen van middelen, om de troepen van brandstof, kaarsen en andere noodwendigheden te voorzien 331). Zoo zeer was. de stad door de Spaansche bezetting tot wanhoop gebracht, dat de Wet in een ootmoedig smeekschrift aan Al va te kennen gaf, dat het volstrekt onmogelijk was langer den gevexg-den dienst aan Zijne Majesteit te volbrengen: //Burgemeesters //en Schepenen verzochten, dat van wege den Koning binnen //Tholen en andere plaatsen van dit eiland, een commissaris

//mocht gezonden worden, die al hunne tilbaere goederen zoude //opschrijven. Zij waren te vrede, dat men die in het open-//baer verkocht, uitgezonderd ’tgeen noodig was tot gebruik //van de soldaten , en dat men de penningen daarvan komende, //onder de soldaeten zoude verdeelen, mits dat de ingezetenen //daermede van verdere lasten van ’t krijgsvolk ontheven zou-//den zijn”

Door den druk, waaronder Tholen sinds lang, doch inzonderheid in de laatste dagen tengevolge van het Spaansche garnizoen zuchtte, was menig gemoed van de anders zoo stille en vreedzame burgers veranderd. De troepen hadden zich in groote mate bij het volk gehaat gemaakt; velen beschouwden deze niet meer in hun belang, maar waren hun vijandig geworden. Velen, die eene //invasie” van de Genzen of Rebellen niet alleen niet meer vreesden, maar, schoon zij er niet openlijk voor nitkwameu, die toch wensohten; er waren in de stad reeds veel Sectarissen of aanhangers van de Geuzen en deze vestigden in ’t geheim zelfs hunne hoop op hunne komst 1).

Het was onder die omstandigheden, dat Prins Willem: op 18 November 1578 een aanslag op deze Gemeente had beproefd. Jkhr Arend van Dorp , Gouverneur van Zierikzee, was ’s nachts voor de stad gekomen, had met een 40tal der zijnen de poort opengeremd en eenigen van de wacht gedood. De. in garnizoen gelegen Spanjaarden hadden echter spoedig bemerkt, wat er gaande was, waren op de been gekomen en hadden de indringers met groot verlies teruggedreven. Van de aanvoerders der Prinsgezinden waren gesneuveld Sohoonewal, Rollé , Kloet , Steeland en Oorteville ; Ha verschot was doodelijk gekwetst en Simon de Rijk gevangen genomen.

Een onzer historieschrijvers, die deze onderneming vermeldt, zegt, dat wel honderd man van de wacht werden gedood; liij wijt hare mislukking aan het niet voldoende volgen der ach-

') Met de Sectarissen, de Geuzen of de Rebbellen worden de Hervormden bedoeld.

terhoede van den troep , die naar het schijnt op de nadering der Spanjaarden door schrik bevangen werd !).

Het Stadsbestuur, steeds klagende, richtte zich in 1575 weder met een uitvoerig sohrijven tot den Koning. In het opgezonden stuk werd gezegd, dat door het nog altoos aanwezige garnizoen, de helft der inwoners de stad verlaten had, en dat velen, die gebleven waren, van kommer en gebrek omkwamen; dat vele huizen waren afgebroken en het af komende hout door de soldaten voor brandstof was gebruikt; dat negen en dertig woningen waren gesloopt voor de verlegging der wallen; dat de druk van het garnizoen dagelijks grooter en de Gemeente, // die maer arbeyders syn daarentegen steeds kleiner werd. Aan het slot van dit schrijven zegt het Bestuur geen middelen meer te kennen, om de ingezetenen bij elkander te houden en de stad tot //voorspoed en neeringhe” te brengen, ten ware de //jaermarckt” verlegd werd. Zij, de Heeren van de Wet, verzochten daarom hun jaarmarkt te mogen veranderen; in plaats van op Maandag na St. Jan, zooals in de oude Keuren bepaald was, wenschtemen haar te mogen stellen op den laatsten Vrijdag na Onze Lieve Vrouwe Geboorte, een verzoek dat terstond door Zijne Majesteit weder werd ingewilligd; doch of met het verzetten der Kermis de welvaart is wedergekeerd, valt te betwijfelen 2). De Stadsinkomsten lieten, ook na deze verandering, althans niet toe de erfpacht van de Veren en de Molens op te brengen; men was zelfs genoodzaakt uitstel van betaling te verzoeken , terwijl uit het ook daarop gunstig ontvangen bericht blijkt, dat het uitstel reeds voor de vierde maal was toegestaan s).

Vooral de jaren 1575 en 1576 waren voor Tholen merkwaardig. De Veerpont was in beslag genomen voor het overbrengen van Spaansche troepen, die ten deele naar St. Maar- 332 333 334

tensdijk, doch hoofdzakelijk naar St. Annaland, togen. Zoolang had die overzetting van troepen geduurd, dat men aan den veerman eene aanmerkelijke vermindering van pacht toestond, ’t Is evenwel waarschijnlijk, dat niet alleen hier, maar ook te St. Annaland de veerpont tot het overvoeren van troepen is gebezigd, in welk geval de Spanjaarden dit vaartuig aan den overkant onder hunne hoede zullen hebben gesteld, tot na den afloop van den door hen ondernomen tocht.

De Gemeente had ook den Gids naar St. Annaland moeten beschikbaar stellen. Oornelis Leynszoon was het, die den Spanjaarden den weg wees, en die hen wellicht ook in de Mosselkreek heeft zien overgaan, om hun gevaarlijke onderneming naar Schouwen of Duiveland te volvoeren 335).

Maar de Rebellen zaten ondertusschen niet stil; de Molen in Oud-Strijen werd, tegelijk met dien van andere plaatsen, in brand geschoten; mogelijk zou die van de stad een gelijk lot hebben ondergaan, ware deze niet in allerijl overgebracht naar het terrein tusschen de destijds gesloopte Zuidpoort en het kort te voren daar opgeworpen bolwerk. De polder Scha-kerloo werd doorgestoken, en tot overmaat van smart stormde de verplaatste Korenmolen om, met dit gevolg, dat niet aan herbouwing, zonder algeheele vernieuwing, te denken viel.

In 1579 herhaalde het Stadsbestuur nogmaals zijn verzoek tot uitstel van het betalen der erfpachten, doch het is onzeker of daarop nog gunstig bericht van den Koning is ingekomen. Maar er had in den laatsten tijd ook eene zoo gewichtige gebeurtenis plaats gehad: niet alleen was de Spaansche bezetting vertrokken, maar de .stad had zich ondertusschen aan de zijde van den Prins geschaard.

Tot toelichting van deze gebeurtenis merke men op, dat ingevolge het //eeuwigh Edict” de Spanjaarden deze gewesten

hadden ontruimd ; ook Tholen had daardoor zijne gehate bezetting met blijdschap zien vertrekken. De Prins had van die omstandigheid partij weten te trekken door nog voor het vertrek der Spansche troepen, verscheidene steden tot zijne zijde over te halen. Ook Tholen had niet lang tegenstand geboden aan dien drang. "Reeds op 17 April 1577 waren de gemachtigden van de stad, Giiëgokio del Plano , Baljuw , Anthonisz. Oolle , Burgemeester en Mr. Jacob van Gelbe , Schepenen, met den gemachtigde van den Prins te Dordrecht samen gekomen, om daar de overeenkomst, wegens den over-gang der stad, te treffen.

In het desbetreffende stuk wordt gezegd, dat Tholen, ingevolge de '/Passificatie van Gent,” bereid is zich onder //het gebied” van den Prins te stellen. De Gemeente had echter nog altijd den Eoomsch-katholieken godsdienst gehandhaafd, en de Prins staat de uitoefening daarvan toe; hij zal zelfs niet gedoogen, dat iemand zich daartegen verzet. De stad zou niet bestuurd worden door een gouverneur, door een ii super-intendent” of doör officieren, tenzij de nood zulks mocht komen te vorderen, doch in dat geval nog slechts met goedvinding of in overleg met hare Regeering. De Prins belooft de privilegiën, de handvesten en de keuren te zullen handhaven; de stad zou geen deel nemen in de reeds gemaakte oorlogskosten, maar daarentegen voortaan haar aandeel in de gemeene lasten dragen, als elke andere plaats. Tholen zou ook niet met garnizoen bezwaard worden, tenzij de nood zulks vorderde, doch alsdan met goedvinding der Staten van Holland en Zeeland en met voorkennis van de Wet. Het stedelijk geschut met de ammunitie zou bewaard worden tot verzekering der stad en ten dienste van Zijne Koninklijke Majesteit.

Kort daarop zijn evenwel toch weder eenige // vendelen” Duitschers in de stad geweest, om zich van haar bezit op nieuw te verzekeren, hetwelk blijkt uit de Stadsrekening , waarin posten voorkomen op deze aangelegenheid betrekking hebbende. Zoo onder anderen vernemen wij, dat de poorten

door de Duitschers met aarde zijn beschermd, tijdens de stad door den Graaf van Hoïienlo belegerd was , terwijl in // De Zon” te Bergen-op-Zoom op 17 Augustus 1577 wijn was geschonken aan de officieren van den Graaf tot blijk van blijdschap wegens het vertrek der Duitschers a).

In Maart 1579 sloot de stad reeds eene overeenkomst met de Staten, voor het verstrekken van //licht en brandstof” aan de soldaten voor 400 //Garolus guldens” in het jaar. Tot opheldering van welke handeling zij opgemerkt dat na den val van Zierikzee in 1576 de Prins, ofschoon Tholen toen nog aan de zijde van Spanje was, het eiland reeds met Staatsch krijgsvolk had bezet, ten einde den vijand zooveel mogelijk te benauwen en in 1578 of 1579 is een gedeelte daarvan onder bevel van den Kolonel Jhr. Ekedekik van Dorp hier in bezetting gekomen 2).

Offline webmaster

  • Administrator
  • Full Member
  • *****
  • Berichten: 133
  • Geslacht: Man
  • local historian
  • -Locatie: Willem van Beierenstraat
Re: Geschiedenis stad tholen uit HOL1 - 5 vanaf 1552
« Reactie #2 Gepost op: augustus 05, 2017, 04:37:52 pm »

De stad, die verzocht had niet met garnizoen bezwaard te worden, kwam tegèn die bezetting niet i'n verzet. Het is derhalve vrij zeker, dat de inneming van het Staatsehe krijgsvolk ook met goedkeuring van hare regeering heeft plaats gehad. En toch ook ’s Prinsen soldaten, ofschoon op geheel andere wijze huishoudende als die van Zijne Majesteit, vorderden van de poorters zware offers 8). Dan, Tholen was nu //der gemeene zake” toegedaan; het werd nog eenigermate versterkt, en, zooals wij zullen zien, het behield zijn garnizoen.

De bezetting was noodig; men moest op elke omstandigheid bedacht zijn, hetgeen vooral het geval was na de mislukking van het plan van den Hertog van Pauma , om zijne legermacht met de onoverwinnelijke vloot te vereenigen en tengevolge van dien het beleg sloeg om Bergen-op-Zoom. Maar andere zaken vragen thans onze bijzondere aandacht. Reeds onderscheidene malen toch werd van de Sectarissen gewag gemaakt,

') Zie de Stadsrekening van 1577/7^-s) Zie het Stadsarchief.

5) Zie het Archief van de stad.

een bewijs, dat. de Hervorming ook hier aanhangers gevonden had. Om nu na te gaan, wat in den laatsten tijd ook hier op kerkelijk gebied voorviel, is het noodig daarbij opzettelijk eenige oogenblikken te verwijlen.

AFVAL VAN DE KERK.

Uit de overeenkomst van den overgang der stad in 1577 vernamen wij, dat de bevolking nog immer den Roomsch-Katholieken godsdienst beleed; de Kerk was nog in liet bezit van hare altaren en van al hare uit- en inwendige versieringen en de Kanunniken verrichten daarin nog hunne diensten. Maar toch was de ijver en de belangstelling in den voorvaderlijken eeredienst bij velen sinds lang verkoeld. Ook binnen Tholens muren had men met de leer van Lutheh en Oalvijn reeds kennis gemaakt.

Veel was iu den laatsten tijd ook hier voorgevallen. Een groot gedeelte van Tholens bevolking had zich verzet tegen de Kerk; het beleed eene andere leer, waardoor men zich had afgescheiden van hen, die alsnog aan hunne Kerk gehecht waren. Hierdoor was veel oneenigheid, hevige strijd en groote verdeeldheid tusschen de ontstane partijen veroorzaakt.

Reeds in de kerkerekeningen van 1566 klaagde Heer Jan Cotj-wesoni’ius , de geestelijke kerkmeester, over de moeite, hem van wege // de stad” aangedaan Hij zegt, dat inen voor de pui van het Stadhuis den burgers openlijk verboden had , hem eenige pacht te betalen, voor de ontvangst waarvan zelfs een Jaspee. Balthen was aangesteld, een man, die altijd de //ongeoorloofde predikatiën en sermoenen had bijgewoond , en die // weynigh tijds geleden, zelfs op de wijze der geuzen begraven was” 1). Verder deelt deze Geestelijke mede, dat de Burgemeester OoEWELIS CoKNELISZOON DE IjANGE 6n AdRIAAN CoR-neliszoon , beiden wereldlijke kerkmeesters, den // ouster” 336

gelast hadden den wijn voor de Kerk te halen bij genoemden Balthen , en dat niettegenstaande die bij den Deken aan huis te bekomen was voor minderen prijs. De kerkméesters bleven ook in gebreke in het //opzamelen” van aalmoezen van //de goide luyden in de Kercke naer ouder costuyme,” en toch, zegt de Geestelijke, waren zij gehouden dit te doen, ook ingevolge //de Ordonnantie” van de Hertogin van Pa&ma. De Wet had zelfs Adriaan Oorneliszoon opnieuw kerkmeester // gemaaktniettegenstaande deze volgens zijne laatste rekening , de Kerk eene aanzienlijke som was schuldig gebleven. Dit alles verhaalt de Geestelijke aan het hoofd zijner rekening , doch zijne kantteekeningen zijn in later dagen, toen de toestand ongetwijfeld gansch anders geworden was, dermate doorgehaald dat ontcijfering daarvan thans hoogst moeielijk is.

Reeds vroeg is Jasper Balthen , van wien wij hier gewaagden, in zijn handel en wandel hij de Geestelijkheid verdacht geweest, want toen hij in 1563 den Kanunniken een en twintig kruiken wijn in rekening had gebracht, verklaarden de Heeren van het Kapittel, dat geene betaling zou volgen , tenzij bij eede kon worden verklaard, dat de wijn waarlijk zooveel //waerdigk” was geweest. Yan toen af werd zelfs besloten den wijn te halen op een kerfstok 336).

Jasper Balthen komt van 1557 tot 1562 voor als Schepen; in 1563 tot Burgemeester benoemd, nam hij in het volgende jaar wederom zitting als Schepen. Later wordt zijn naam niet meer onder de Regeeringsleden aangetroffen; vermoedelijk is hij in 1566 overleden. Hij moet een niet onbemiddeld man zijn geweest, want zijne vrouw, Lijntje Thysse , die lang vóór hem gestorven is, heeft aan de Kerk 8 £ vis', verm'aakt tot stichting van het in 1561 tót stand gekomen Heilige graf. Dan, is zijne vrome huisvrouw nog in den schoot der Kerk

gestorven, hij, wij vernamen het uit de kantteekeningen van den Kanunnik, Heer Jan Couwegontius , was een der eersten , die der Roomsche Kerk afvallig werd, en die zonder gebruik te maken van de genademiddelen dier Kerk, zijn leven heeft geëindigd. Na zijn overlijden werd eene rekening opgemaakt van hetgeen ook hij //der kercke” ten achteren was. De Kanunnik Adriaan Oorneltszoon Blonke , in de kerkelijke bescheiden bekend als Mr. Adriaan , had in vereeniging met Oornedis Oorneliszoon de Lange en met Gijsbrecht Jans-zoon als kerkmeesters het bedrag, dat door de erfgenamen van Balthen moest worden uitgekeerd, berekend en dit bedrag werd in de eerstvolgende rekening als eerste post van ontvang opgenomen 1).

Vroeg schijnt de Hervorming hier ingang te hebben gevonden, doch hoe of op welke wijze, daarvan is weinig bekend. Alleen is uit voorhanden stadsrekeningen merkbaar, dat het ook hier op godsdienstig gebied alles behalve rustig was. Herhaaldelijk reisden Burgemeesters, en veelal ook de Baljuw met den Secretaris, naar Antwerpen, Brussel en Meehelen, en niet zelden verschenen aldaar ook leden van het Kapittel. Wat er eigenlijk altijd gaande was, is uit den tekst der daarvoor verantwoorde reisgelden niet recht duidelijk. Jammer, dat van de behandelde requesten en stukken geene afschriften aanwezig zijn, anders toch kon ook het oogmerk dier reizen alsnog gekend worden. Dat het veelal een gaan en keeren was uitsluitend voor kerkelijke of godsdienstige aangelegenheden, schemert enkele malen duidelijk in de daarvoor verantwoorde gelden door. Vooral blijkt dit uit een gedane reis op 14 Juli 1565, toen de' Burgemeester Cornelis Cornelisz. de Jjange naar Brussel toog, om aan //Hare Hoogheyt,” de Hertogin, een request te overhandigen, waarin men te kennen gaf, dat de stad nog altoos zonder //predicant” was, en dat de Deken, 337

Jan Paschasius, niettegenstaande dezen ingevolge hare ordonnantie de stad en hare jurisdictie was ontzegd, zich nog steeds te "Vosmeer ophield en van daar uit de Gemeente al even onrustig hield, alsof hij te Tholen was.

In Augustus togen de Burgemeesters en de Baljuw andermaal naar Brussel tot bekoming van een // predicanten eenigen tijd later zien wij Mr, Pmm Rezen naar het land van Voorn vertrekken, ten einde aldaar te vernemen // naer de qualiteyt van den persoon van een priester, die alhier gherecommandeert was, mits de stadt door d1 absentie van den Deken sonder predicant was” 1).

Waarom nu was de Deken, Heer Jan Paschasius volgens besluit van de Hertogin uit de stad verwijderd P Hield hij het met de //afvalligen”? Verkondigde hij in beginsel hunne leer, of had hij in een of ander opzicht zich tegen den Magistraat vergrepen ? In trouwe, ik weet het niet, doch later komt misschien meer licht in deze duistere zaak, zoodra wij op het leven en de handelingen van dezen geestelijke terugkomen.

Wij kunnen de Geestelijkheid er geen verwijt van maken, dat zij niet deed, wat mogelijk was, om de nieuwe leer in haar voortgang te stuiten. In 1566 hadden de Kanunniken Hendrik. Pachasius , Assverus Jacobsz. en Jan Cotjwegon-tius zelfs pogingen aangewend , om ook te kunnen optreden in zake // de politieke ordonnantiehet stadsbestuur, zoo gehecht als het was aan zijne privilegiën, was geducht in de weer., om die opdracht te voorkomen, en blijkbaar heeft het in zijn pogen gezegevierd 3).

Kort na den afloop dier zaak, vertrok Mr. Pieter Rezen, die lid was der Staten, naar Middelburg, om met de overige leden van dat college te spreken over de ontstane moeielijk- 338

heden in zake //de Religie” en tegelijk, om van gedachten te wisselen over de kostbare inlaag in Schouwen, omtrent welke beide onderwerpen evenwel niets werd beslist, daar de overkomst van den Prins werd afgewaeht.

Op 18 November 1566 reisden de beide Burgemeesters Con-nelis Coknelisz. de J/ANge en OoitNELis Jansse met Mr. Pieter Rezen naar Mechelen, om in overleg te treden met den stadsadvocaat aldaar, aangaande de voorgekomen //swarig-heden” in de //Religie” 1). Na bij dezen Meester in de rechten de noodige adviezen te hebben ingewonnen, vertrok het gezelschap naar Brussel, om Haxe Hoogheid met den toestand van zaken in de stad bekend te maken. Doch daar gekomen, bemerkte men dat de Geestelijkheid van Tholen hen was voor geweest; deze had al wat voorgevallen was, reeds in geschrifte aan de Hertogin overhandigd, tengevolge waarvan aan de overheidspersonen geen lang verhoor werd toegestaan. Zij ontvingen evenwel de verzekering, dat zij later op alles zonden worden gehoord.

Op lé Pebruari 1567 moest men wederom voor Religie-aangelegenheden uit. De Baljuw, PitANgoïs Rezen met de beide Burgemeesters togen naar Brussel, wijl Heer Jan Oou-wegontius had geklaagd bij de Hertogin, als zijnde hier in velerlei opzicht gehandeld tegen vele harer ordonnantiën in. Hierop werden de overheidspersonen gehoord, en // de stukken” tegen welke was overtreden, besprekende, verdedigde de hoofden der Wet hunne handelingen zoodanig, dat het Kapittel in last kreeg, zich n modest” te gedragen tegenover den Magistraat en de //Regeerders,” en wanneer de Geestelijkheid op nieuw eenige klachten mochten hebben in te brengen, zij zich alsdan hadden te //reguleeren” naar de ordonnantie van 19 Juli 1563 en 18 Januari 156é.

Spoedig meenden de Kanunniken weder redenen te hebben, om zich bij de Regentes te beklagen, want kort na het hierboven bedoelde verhoor, kwam een bode uit Brussel met een schrijven, waarin aan den Magistraat werd mededeeld, dat Heer Jan Couwegontius wederom bezwaren had ingediend, 'Hij had de Hertogin bericht gedaan van al hetgeen in hare // absentie” was voorgevallen, en men wensehte te Brussel // naer waerheyt te worden geadviseert.”

De Magistraat raadpleegde nu Mr. Jan van Vlieiiden, advocaat van den Geheimen Raad te Meohelen, doch droeg ondertusschen Mr. Daniël Schaul op, het verkrijgen van een afschrift van het door den Kanunnik ingediende bezwaarschrift met al de bescheiden daarop betrekking hebbende, iets wat te oordeelen naar den tijd, waarop het verlangde inkwam, in lang geene gemakkelijke taak moet zijn geweest. Eerst in April 1567 toch ging de Burgemeester Coknelis Jansse, voorgelicht door de noodige bescheiden van Mr. Schaul , naar Brussel, doch waartoe besloten werd, is niet bekend.

Eén ding is zeker; het Stadsbestuur had zich vooraf goed op de hoogte gesteld van al hetgeen het ten laste was gelegd ; het had afschriften ontvangen van alle stukken met de naamteekeningen erbij, hoezeer men daarvoor te Brussel ook op n opportuniteit” of geschikte gelegenheid had moeten wachten.

Uit alles is het duidelijk, dat het den Magistraat, schoon grootendeels, zoo niet geheel, nog bestaande uit trouwe zonen der Kerk, in die dagen niet aan beslommeringen ontbrak, en ’t is zelfs waarschijnlijk, dat de Baljuw Ebanqois Rezen , alleen om der vele wederwaardigheden wil, zijne betrekking heeft nedergelegd, om die later, toen de Hervorming had gezegevierd , weder te aanvaarden.

Wanneer men hier met de Gereformeerde leer openlijk is opgetreden, is niet bekend; evenmin weet men, waar ter plaatse de eerste vergaderingen der Hervormden gehouden zijn. Dé bescheiden deelen evenwel mede, dat de eerste predikatie

alhier werd gedaan door Mr, Jan Yersteeoit , die gezegd wordt te zijn geweest pastoor van Sclierpenisse ’).

Of deze gewezen geestelijke onder een anderen naam is bekend geweest, is mij niet gebleken, doch het is vreemd, dat hij elders niet in de kerkregisters van Sclierpenisse wordt vermeld. Wel komen te dien tijde daar als geestelijken voor Pieter Herdkiksz., Heer Roeland en Jan Platijn, en in 1563 wordt ook Jan van Mantenaken als pastoor genoemd, doch de naam van Yersteech wordt nergens aangetroffen 2)

Is heer Jan Versteech alzoo werkelijk pastoor van Scher-penisse geweest, en hieraan valt, afgaande op de sententiën van Hertog Alva , niet te twijfelen, dan is hij voorzeker een der eersten geweest, die de kerk aldaar verlaten heeft. Dat het geslacht Yersteech bestond, en dat dit den Hervormden godsdienst beleed, is bekend. Br was reeds in 1606 een Gerardus Yersteech, als predikant werkzaam te Buren. Maria van Nassau , ambachtsvrouwe van Sclierpenisse, schreef voor zijn vrouws vader zelfs een brief van aanbeveling aan Oldenbarneveld , bij gelegenheid die man, als gewezen // conciërge” van het kasteel van Breda, //solliciteerde” om eenig pensioen.

Het schijnt dat kwaadwilligen het ten dien tijde op de kerk of liever op hare kostbaarheden gemunt hadden. Het zilverwerk althans werd op het stadhuis in veiligheid gebracht. Men veranderde ook de sluitingen der kerk en zelfs de sloten der kisten, waarin het lijnwaad geborgen was, achtte men tegenover de •> booswichten” niet vertrouwd. In de rekening, waarin men de uitgaven voor een en ander vindt verantwoord, zegt de kanunnik Assvmüs Jacobsz., dat de kerksieraden op het stadhuis gebracht zijn, //in die troebelen tijd, als men seyde, dat men ter Tholen die kercke soude comen ontstukken smyten” 3)..

‘) Sententiën van Alva bladz. 180 en 235. s) Rekeningen van de kerk van Scherpenisse.

Rekeningen van de kerk van Tholen.

Dan, hoe zorgvuldig men ook was te werk gegaan, toch blijkt dat ontvreemding van sieraden en wellicht ook Beeldenstorm heeft plaats gehad, want in de bescheiden van 1570 komt een relaas voor, waarin heer Hendbik Pasohasitjs mededeelt, dat hij naar Goes is geweest, wijl hij vernomen had, dat zij, die de Kerk hadden (/helpen .berooven,” aldaar gevangen werden gehouden. Hij was daar geweest, om van hen te weten te komen, waar zij met de //Sacramenten en de juweelen” gebleven waren.

Uit hetgeen de Geestelijke ons verder dienaangaande meldt, blijkt dat de ontvreemde voorwerpen verkocht waren aan een zilversmid te Antwerpen bij de Beurs.

Kort daarna zien wij den Kanunnik weder vertrekken, doch ditmaal niet naar Goes, maar naar Antwerpen, ten einde den // Hertoghe een request” te overhandigen, waarin de gevangenschap der //kerkroovers” werd medegedeeld en waarin Zijner Excellenties medewerking verzocht werd tot terugbekoming van het //juweel.” Hierop werd door Al va geantwoord, dat de officieren van Goes en Bergen-op-Zoom hunne informatiën maar aan hem moesten opzenden; voor het geval nadere inlichtingen mochten worden verlangd, zou men zich wenden tot het Kapittel.

In Juli 1571 deed heer Hendbik Paschasius andermaal eene reis naar Antwerpen. Hij was opgeroepen, om de waarde der juweelen te bepalen , want zegt hij, //die Hertoghe be-gheerde die te weten.” Verder echter wordt niets meer aangaande deze aangelegenheid vermeld; maar blijkens andere bescheiden hebben wij grond het ervoor te houden, dat de ontvreemding der genoemde voorwerpen werkelijk bij een Beeldenstorm heeft plaats gehad.

Uit een der vele Sententiën van Alva vernemen wij, dat vier van Tholens burgers, namelijk Claas de Nayeb , Balthen Hdbbeohïs, Cobselts de Guyper en Johan Disgematss door den Bloedraad met bannissement en confiscatie hunner goederen zijn veroordeeld. Claas de Nayeb en Cobnelis de Cuypeb

werden te laste gelegd, leden te zijn geweest van den Kerke-raad der //Sectarissen”; de eerste had zelfs dienst gedaan als voorlezer en leeraar, en had ook de aalmoezen verzameld onder de predikatiën. Hij stond bekend, als deel to hebben gehad in //de beeldenbrekingk.”

Van Balthen Hubrechts wordt bericht, dat hij //berucht” was , wegens het breken van beelden; hij had ook den afgevallen geestelijke van Scherpenisse gewapend naar de eerste hier gehouden pTedieatie geleid, had menig ander leeraar van de Sectarissen vergezelschapt, terwijl hij zelfs een overleden kind op de wijze der Geuzen had begraven *)

Johan Dinghemans werd beschuldigd van te zijn geweest koster van de Afvalligen; hij had bovendien // de oproerders” gediend, onder aanvoering van Pieter. II aeck , den voorma-ligen Baljuw van Middelburg ®).

Om nog even bij deze veroordeelden stil te staan , kunnen wij alsnog mededeelen, dat het geslacht de Nayer, te Tholen wel bekend was Reeds in 1485 komt een Claas Adriaansz. de Nayer als Schepen voor; hij woonde tegenover het Stadhuis , en in schier alle Kerkerelceningen komen posten van uitgaaf voor, wegens gedane Missen voor de rust der ziel van een Martina de Nayer. Job de Nayer was in 1568 nog lid van het H. Sacramensgilde, doch later schijnt ook deze tot de Hervormden te zijn overgegaan.

Balthen Hubreohts was blijkens de //sententiën,” hierboven genoemd , evenals zijne lotgenooten , toen de Bloedraad het bekende vonnis over hem uitsprak, voortvluchtig. In later dagen treffen wij hem hier echter weder aan; hij komt in 1579 voor als Weesmeester, werd Schepen en in 1586 zelfs Burgemeester van zijn vaderstad. Na 1587 wordt zijn naam niet meer genoemd; vermoedelijk heeft de man alstoen zijn veel bewogen leven geëindigd.

Balthen Hubrechts komt later nog dikwijls voor. a) Sententiën van Alva , bladz. 230 en 235.

Ook het geslacht " De Cuypeb” had sinds lang hier bestaan. Maatje de Cuypeu uit de Kerkstraat, was tot den einde toe een getrouw lid van het II. Sacramentsgilde , en een Pitans db OuïPEit komt in 1569 nog als koorzanger voor *).

Johan Dinghemans wordt noch op de lijsten van het Sacramentsgilde , noch in de Schepenenboeken vermeld De n Sententiën” noemen hem evenwel een burger der stad , en wij hebben niet een enkele reden, om aan de waarheid daarvan te twijfelen, ook al vinden wij ’s mans naam in de bescheiden niet genoemd.

Van het geslacht Haeck is daarentegen meer bekend. Eeeds vroeger deelden wij daaromtrent een en ander mede, bij de vermelding der erflatingen aan het Sacramentsgilde 2). In . hoeverre de hier genoemde Pieteb, Haeck , de gewezen Baljuw van Middelburg, aan de Thoolsche familie Haeck is verwant geweest, is niet gebleken. Uit geen der bescheiden kon dit worden nagegaan. Alleen zij te dien opzichte medegedeeld, dat tenzelfden tijde, toen Pjeter Haeck zijne onderneming had zien mislukken, hier overleed een M1. HubrEcht Haeck. Deze was evenwel getrouw gebleven aan het oude geloof, want in de rekening van 1570 wordt zijn uitvaartdienst vermeld.

Wat heer Pieteu Haeck uit Middelburg aangaat, hij had in 1564 den Bisschop aldaar nog helpen inhalen, doch twee jaar later werd hij reeds als Baljuw ontslagen. Hij stond in groot aanzien bij den Prins, die hem later zelfs aanstelde tot plaatsbekleeder van zijn zoon, den Graaf van Buren, tengevolge waarvan hij in de Statenvergaderingen optrad als eerste Edele van Zeeland Hij had in vereeniging met den Heer van Tolouse getracht de stad Middelburg met geheel Walcheren aan de zijde van den Prins te brengen, doch zijn aanslag was mislukt, en zie aan deze gewaagde onderneming had de koster

>) Rekeningen van het Sacramentsgilde.

Zie bladz. 266 van dit werk. PiETER Haeck was 4 Januari 1553 aangesteld tot Baljuw.

van de Thoolsche Sectarissen, Johan Dinghemanh . deel genomen.

Behalve Mr. Hubrechï Haeck trof men hier aan Oounelis * Haeck, Deken der Collegiale Kerk, benevens een rentmeester J acques Haeck. De laatste rust onder den prachtig bewerkten grafsteen van den Deken Cornelis Yoms in ‘t Priesterkoor van Tholens kerk 1). Of nu Pieter , Hun recht , Cornelis en Jacques allen broeders waren en zonen van den in 1515 overleden Jan Pietersz. Haeck en Maria Dankaeuts, de schenkers van goederen aan het Sacramentsgilde, is niet waarschijnlijk , want volgens den getuige Andries Coene, klerk van den Rentmeester van Zeeland Bewesten Scheld, in zake de . Middelburgsche beroerten, was er toen reeds een //sepulture” of graftombe van Pieter Haecks ouders in de Westmonster-kerk te Middelburg 339 340). Het is dus wel mogelijk , dat onze Jan Pietersz. Haeck ten nauwste is verwant geweest aan den vader van Pieter Haeck uit Middelburg, doch dat deze geen zoon was van eerstgenoemden is zoo goed als zeker. Dit zij evenwel ook hier nog opgemerkt, dat in stukken uit vroeger eeuw de. familienaam. Haeck niet te Tholen wordt aangetroffen;

’t is eerst in ’t begin van de 16c eeuw, dat men daarvan vindt gewag gemaakt, terwijl dit geslacht te dien tijde te Oud-Yosmeer reeds vertakkingen had.

Naar gelang de afval van de Kerk grooter werd, naar die mate nam de luister en de plechtigheid, waarmede de Dienst in de Kerk werd uitgevoerd, toe. Yooral merkt men dit op bij het opdragen der Sacramentsmissen. De altaren en de ge-heele Kerk waren alsdan schitterend verlicht en door het luiden van zes klokken, tegelijk bij het bespelen van het klokkenspel werd het begin van den Dienst eiken avond, gedurende de acht achtereenvolgende dagen den volke aangekondigd. Aan

deze Diensten namen in 1572 deel, de priesters Jan Couwe-gontius, Jan Yerbruggen en Jan Verboven van Tongerloo; ‘de kapelanen Arent Jansz. de Bonte en Job Pieterse fungeerden als Diakenen en heer Simon Anthonisz, als koster. De scholaster, Hendrik Ouyck , met Willem Jansz. tan Stryen, Olaas Jaoobsz., Job Jansz. en Frans Fransz. zongen //musieck” en de pastoor van Oud~Yosmeer, heer Mat-thias Hulsel , blies den //bascouter.’*’ Yoorts zongen nog mede de drie // choralen” en mr. Jaoob tan Stryen begeleidde den verheven zang met de melodieuse tonen van het orgel J).

Jan Yerbruggen was een der geestelijken van Schakerloo, die, zooals bekend is, ook leden waren van het Kapittel; de overigen waren met uitzondering van heer Matthias Hulsel-, priesters en kapelanen van de stad. Na den dood van heer Jan Yerboven van Tongerloo is Yerbruggen alhier tot priester benoemd, want in 1576 treffen wij hem aan als boekhouder van de Collegiale Kerk s).

Het waren de laatste Sacramentsmissen , bij welker opdraging Arent Jansz. de Bonte in 1572 was tegenwoordig geweest. Ook deze geestelijke is spoedig daarop overleden en op zijn //sterfbed” had de waardige Kanunnik het Gilde, van hetwelk hij sinds 1561 een getrouw lid was geweest, nog met eene kleine gift bedacht. Het is niet bekend, waar deze geestelijke begraven werd. Wel treft men een grafsteen van een heer Arent aan, doeh deze was niet Jans- maar Jacobszoon, een Kanunnik, die reeds in 1540 overleden is, en die bij zijne moeder Aagje in ’t Priesterkoor begraven ligt. Diens vader, Jaoob Arentsz. had in 1498 van den Magistraat //vier poirt-cannen ïtinschen wyn ontvanghen voor zyn zoons doorcomen” •, waaruit is na te gaan, dat deze Arent Jaoobsz. reeds in het

laatst der I5e eeuw als geestelijke is opgetreden. "Voor liem komen reeds vroeg Zielmissen voor met uitdeelingen van brood, even als voor zijne broeders Jacob Jacobsz. en Dymtmen Jacobsz. van welke de eerste in 1540 en de laatste in 1553 van deze wereld is heengegaan Deze laatsten liggen beiden onder édn grafzerk met het bekende //bidt voor de sielen” er op gegrift, begraven.

Steeds waren in den laatsten tijd bij den Dienst in het Octaaf ook pastoren van elders; dikwijls treft men die van Oud-Vosmeer en van Schakerloo en een enkele maal ook dien van Bergen-op-Zoom, den Deken Petrus Gognatus , daarbij aan Veelal waren er ook zangers van andere gemeenten, zoo als blijkt uit de vermelding van Quiuinus Mol, die als zoodanig daarvoor van Beymerswale herhaaldelijk overkwam. Vooral ook Hendrik Gtjyck , de scholaster van deze thans verdronken stad, is hier menigwerf geweest, om den Kerkdienst te helpen verrichten 3). Maar wat ook voor den ouden eeredienst geschiedde; met hoeveel plechtigheid ook de Kerkelijke Veesten werden gevierd, de afscheiding nam steeds toe. Niets scheen bestand tegen de alles overwinnende kracht van dien geest, die volgens sommigen de leus: // vrijheid in het burgerlijke en in het godsdienstige” in zijne ontplooide vanen schreef.

Tegelijk met de afscheiding namen ook de moeielijkheden tus-schen de ontstane partijen toe; hevige twisten tusschen beide groepen, tusschen Papen en Geuzen, waren aan de orde van den dag. De //geloovigen,” die eigendommen van de Kerk of het Kapittel in gebruik hadden, werden op alle mogelijke wijzen geplaagd; aan de Bectarissen werd daarentegen het pachten niet toegestaan. Onder Oud-Vosmeer lagen perceelen, die tengevolge van den last der //rebellen” nieteens konden worden gebruikt 2). Ook in andere gemeenten vielen dergelijke moei-

') Zié het vervolg van dit werk.

5) Rekeningen van het Sacramentsgilde.

lijkheden voor, want in de kerkelijke bescheiden van Scher-penisse komen herhaaldelijk posten voor, waaruit wij vernemen, dat kerkmeesters zekere gedeelten land niet konden verhuren, uithoofde van de moeite, die de gebruikers van de Rebellen te verduren hadden 1).

Hand over hand nam de afscheiding toe. En ook in den boezem der Geestelijkheid was sinds lang geen vrede en eensgezindheid meer. Yooral met den Deken, heer Jan Paschasitjs, die, ofschoon de stad ontzegd, zich nog immer hier ophield, leefde men in onmin, en die onderlinge oneenigheid schijnt dermate te zijn toegenomen, dat de Kanunniken, gesteund door den Magistraat, er eindelijk op uit waren hem te vervangen door een ander. Tn 1575 ging de Burgemeester Emanuel d’Ayala naar Antwerpen, om daar heer Coknelis Haeck te spreken over de moeilijkheden hier in opzicht tot het Dekenaat bestaande-, men schijnt hem zelfs terstond tot opvolgeT van Jan Paschasitjs te hebben bestemd, want weinig tijds later bracht heer Jan Couwegontijjs zijne benoeming of aanstelling over en kwam Haeok werkelijk als Deken te Tholen. Ook schijnt de organist Mr. Jacob van Stkijen, voornemens te zijn geweest zijne betrekking neder te leggen, wijl in de Stadsrekening van 1577 de uitgaven voorkomen van niet minder dan n IS tonnen biers,” die geschonken zijn bij het weder aannemen van //zijn dienst.” Ja, het moet volmondig worden erkend, de Wet deed al, wat mogelijk was, om de ICerk en met haar het n Catolyke gelooff” te redden , zooals ook duidelijk aan het licht kwam, bij de overeenkomst van 1577: maar ongeacht den steun van den Magistraat, haar wachtten donkere dagen. De jaren 1578 en 1579 maakten zelfs een einde aan al de verwachtingen, die men nog altijd gekoesterd had, want deden wij het eenigszins twijfelachtig voorkomen, of in 1567 de Kerk ook getroffen is door beeldenstorm, in 1578 ,

‘) Het betrof inzonderheid de perceelen bij Gorishoek.

het is bekend, heeft men haar deerlijk geplunderd. De meest kostbare voorwerpen waren evenwel ook ditmaal geborgen op het Stadhuis , waar zij eenigen tijd bewaard werden . en door welker afsluiting de beide Burgemeesters, zooals ons later meer uitvoerig zal blijken, zelfs in ongelegenheid geraakten. De Wet was over den kerkroof zeer verontwaardigd ; zij liet door tusschenkomst van den stadsadvocaat te Middelburg daarvan terstond kennis geven aan de Staten. Mr Kveehaud van Couwehve moest den Heeren van dat college doen opmerken , dat dergelijke geweldenarijen geheel in strijd waren met de Pacificatie en met hunne Satisfactie, tot bewijs waarvan hem een afschrift dier stukken werd toegezonden '). Ook vaardigde de Magistraat op 9 October 1578 zijn Burgemeester Bahtet. Gounelisz. af naar den Prins te Antwerpen tot overhandiging van een request, waarin werd medegedeeld , // het treurighe lot” der kerken overkomen, en waarin gevraagd werd, om //ontlastinghe” van de Wet. Ja, de Magistraat wilde liever van zijn gezag afstand doen, dan langer voor de orde, die zijns inziens toch niet meer te handhaven was, verantwoordelijk te zijn 341 342 343).

Kort daarop schreven ook de Gecommitteerde Raden, het besluit genomen te hebben tot het in bezit nemen der Geestelijke goederen, waarop de Magistraat brieven schreef aan de andere gemeenten op het eiland, deze uitnoodigende tot gemeenschappelijk verzet tegen dien alstoen reeds voorgenomen maatregel. Ook zond de Wet een schrijven aan haar advocaat nopens het inventariseeren dier goederen, doch wat men deed of ondernam, de Gecommitteerden dreven hunne zaken door 8). Men liet zich weinig meer gelegen liggen aan den eertijds zoo

boog in aanzien staanden Magistraat , die ondertusschen door zijn bode ook een verzoekschrift liet overhandigen aan zijn Baljuw en aan één zijner Burgemeesters, welke beide personen te Antwerpen waren.- Dit verzoekschrift moest door de beide daar vertoevende Magistraatspersonen aan den Prins worden overhandigd, en zooals verder uit den post van de daarvoor verantwoorde gelden duidelijk is, hield het den wensch in , om toch één der twee kerken binnen Tholen te bestemmen voor //de catolycken” 1).

Op het verzoek van den Magistraat schijnt de Prins gunstig te hebben beschikt; want op 29 October 1578 werd de stadsbode naar Middelburg gezonden met het terug ontvangen request en de beschikking daarop, om door tusschenkomst van den advocaat de Staten daarmede in' kennis te stellen. Maar de Magistraat, wiens dagen geteld waren , had met moeilijkheid op moeilijkheid te kampen. Zoodra waren de kerken niet geplunderd, de geestelijke goederen niet opgeschreven, of men eischte ook datgene op, wat op het Stadhuis geborgen was, en dit alles geschiedde, niettegenstaande handhaving van den Ouden eeredienst bedongen was. Tegen de handelingen van Gecommitteerde Raden vermocht men niets; maar voor de opeischers der kerksieraden hield men de deuren van het Stadhuis zorgvuldig gesloten, terwijl men ondertusschen voor deze aangelegenheid den advocaat Mattiietjs Beugen afvaardigde naar den Prins te Antwerpen. Deze had in opdracht Zijne Hoogheid bekend te maken, dat de heer Züït-landt de beide burgemeesters had doen gijzelen, eenvoudig, omdat zij weigerden // de kercke goederen” af te geven. Hij had ook in last mede te deelen, dat men het geborgene elders wenschte te voeren, onder opmerking dat de gijzeling was èn. tegen de pacificatie èn tegen de satisfactie, die, zooals Zijne Hoogheid ook wel bekend was, bovendien door de Staten van

) Zie bladz. 395 van dit werk.

Holland en Zeeland waren bekrachtigd. Men verlangde dat de Prins in // deze moeielijke aangelegenheid zou voorzien dat door zijne tusschenkomst //de Wet” voortaau van dergelijke kwellingen mocht blijven verschoond; of zoo dat niet mogelijk was, dat men alsdan haar zou onthelfen van hare verdere verantwoordelijkheid.

De Prins beval de in vrijheid stelling der beide burgemeesters, tevens gelastende, dat de goederen der Kerk moesten blijven in handen der overheid. Ook van dit besluit gaf men op 18 Februari 1579 kennis aan de Staten, onder wier leden ook Joost Mauinusse Zuytlandt van wege de stad zitting had. Maar de Magistraat, getrouw aan zijne belofte van den Roomschen godsdienst te zullen handhaven en beschermen, en nog gehecht aan de Kerk, trad in datzelfde jaar af, zonder het blijkt of de nederlegging van het gezag het gevolg is geweest van den tot dusverre bekenden loop der omstandigheden , dan wel van het plegen van nieuw geweld. Alleen dit is bekend , dat de beroering en de ontsteltenis destijds groot was; geene rekening had zelfs plaats, en zoowel tegen den Baljuw Gregorio del Plano , als tegen de geheel e Wet, werd voor den Hove van Holland en Zeeland een langdurig proces aanhangig gemaakt. De Baljuw werd genoodzaakt alle stadsboeken, papieren en stukken , die hij onder zijne berusting had, af te geven; de afgetreden Wet werd opgeroepen tot het doen van rekening en verantwoording

Waar de kerksieraden ondertusschen gebleven zijn, verneemt men niet. Wel blijkt later , dat zij in tijds in veiligheid zijn gebracht; maar waar men daarmede bij de aftreding van den Magistraat gebleven is, wordt niet vermeld. Hoogstwaarschijnlijk is het zilverwerk terstond in handen gesteld van Hendrik Paschasius, van den geestelijke, die tot den einde toe als Vice-Deken in de Kerk is werkzaam geweest, doch die, tegelijk met de andere Kanunniken schijnt te zijn vertrokken, zoodra het oude stadsbestuur zijn gezag heeft ueergelegd. Later althans vinden wij vermeld, dat het //kerksieraed” in

heer Hendriks bezit is geweest, doch na diens overlijden is gekomen in handen van zijn broeder en zuster l).

Tot terugbekoming der kerksieraden had de nieuwe Magistraat onmiddellijk heer Hendriks vaste goederen in beslag genomen, hetgeen tengevolge had, dat deze, of wel het geldswaardig bedrag daarvan, eindelijk nog aan de kerk zijn terecht gekomen.

Offline webmaster

  • Administrator
  • Full Member
  • *****
  • Berichten: 133
  • Geslacht: Man
  • local historian
  • -Locatie: Willem van Beierenstraat
Re: Geschiedenis stad tholen uit HOL1 - 5 vanaf 1552
« Reactie #3 Gepost op: augustus 05, 2017, 04:42:11 pm »
In het zoo evengenoemde proces liet de stad hare belangen bepleiten door hare twee advocaten mr. Jan van Treslong- en . mr. Willem Cock; doch ook de oude Wet en de afgetreden Baljuw hadden hun verdediger in Mr. Ever hard van Oou-wjjrve, het lid van Gecommitteerde Raden onder liet oude bestuur. 344 345)

Vele stukken werden voor het voeren van dit proces opgevorderd; zes afschriften der Stadsrekeningen over de laatste jaren moesten worden overgelegd, en later schreven de advokaten nog om die van de jaren 1566 tot en met 1571.

Wat de uitslag van het geding is geweest, vermelden de weinige voorhanden bescheiden ons niet; doch ’t is opmerkelijk dat, wat het tegenwoordige archief betreft, dit als het ware, eerst met 1579 een aan vang neemt. Slechts enkele losse rekeningen, eenige andere stukken en de oude, meestal op perkament geschreven charters, die bewaard werden in een ijzeren kist, zijn voorhanden; de notulenboeken, de registers van gevelde vonnissen door Sehepenen en eene menigte andere bescheiden van vóór dien tijd, ontbreken. Dan, stappen wij van deze aangelegenheid af. Laten wij het onbeslist, of de stukken, waarover ook ten deele het proces liep, teruggekomen zijn of niet. Men zij ook voorzichtig in het vellen van een oordeel over de handelingen van het afgetreden bestuur; want om dit naar waarheid te kunnen doen, zou men niet alleen de omstandigheden, waaronder het verkeerde, volledig moeten

kennen, maar zou men zich. ook op het standpunt van hen, die tot den einde toe getrouw bleven aan eenmaal beleden beginselen , en aan de door hen bezworen overeenkomsten, moeten kunnen plaatsen.

De steeds verminderende belangstelling in de Roomsche kerkleer was in de laatste jaren ook gebleken uit het afnemend getal der leden van het Sacramentsgilde. Kwamen op de lijsten van deze kerkelijke instelling in 1567 nog 163 leden voor, in 1577 telde zij slechts 63 deelgenooten met inbegrip der Geestelijkheid. Nieuw aangekomen broeders of zusters kwamen in de laatste jaren niet meer voor; het ledental was door afsterving en uittreding van jaar tot jaar gedaald. Nochtans bleef de instelling voortbestaan tot in 1578, toen de priester Job Pieterse daarvan de laatste boekhouder was. 1)

Ook het oude kerkbestuur bleef voortbestaan tot op het einde van 1578 of tot in ’t begin van 1579. In eerstgenoemd jaar had op Sacramentsdag zelfs nog de Omgang of de Processie plaats, doch kort daarna schijnt het Kapittel, dat nu ook geen steun meer vond bij den Magistraat, de stad te hebben verlaten De geestelijken, die getrouw waren gebleven. aan de Kerk bestonden uit Hendrik Paschasius , Jan Couwegontius , Assverus Jacobsz., Job Pietersz., Lambreoht Maartensz., Jan Sarrot, Lieven Lagrensz., Boneventura en Jan Verbruggen.

Van heer Jan Ootjwegontius , verneemt men in de laatste rekeningen niets; alleen wordt in die stukken gewezen op zijne //absentie.” Heer Jan Verboven van Tongerloo, onder de zoo evengenoemde geestelijken niet meer vermeld, was ’s jaars te voren overleden. Voor hem was de doodschuld aan’t Sacramentsgilde nog betaald; voor hem had nog een Uitvaartdienst plaats gehad, en kort voor zijn verscheiden had de goede geestelijke tot instandhouding van het Gilde nog eene kleine gift van zijn zeker niet groot vermogen afgezonderd. De man

heeft voorzeker nog niet kunnen denken, hoe spoedig ook zijne gave, even als die van zoo menig ander, de Kerk voor altoos zou worden ontnomen; maar het is hier de plaats niet, daarover reeds uit te weiden; later zullen wij gelegenheid te over hebben, daarop te wijzen.

Blijkens de Stadsrekening verkeerde men in de meening als zou heer Jan Vebboven aan de pest overleden zijn; want mr. Coknelis van Bergen-op-Zoom was ontboden, om, zooals het in dat stuk heet, het lijk van den overledene te schouwen; wijl '/men seyde dat heer Jan van de haestighe siecte gestorven was.”

Volgens den //Staat aller Volken” zijn de geestelijken reeds bij den overgang der stad, in 1577, vertrokken; en de schrijver, dit verhalende, zegt, dat al de Kanunniken op één na, de plaats hunner inwoning hebben verlaten. Hierin heeft men zich grootelijks vergist. De jongste rekening van het Sacramentsgilde is gesloten 6 Juli 1578, ten huize van Claas Panceaes in //De Kemel;” die van de Kerk van hetzelfde dienstjaar werd overgelegd op 25 Juli 1579; doch uit dit document blijkt, dat de Kanunniken reeds vertrokken waren, met uitzondering van heer Assveiius Jaoobsz., den rentmeester van het Kapittel, heer Lambeeoht Maertensz., den boekhouder van de Kerk, en heer Job Pieterse van Duvenee, den boekhouder van het Sacramentsgilde.

Van heer Assverus Jaoobsz. is het bekend, dat hij de stad nooit verlaten heeft; hij komt later zelfs nog als pachter van kerkelijke gronden voor; doch ’t is opmerkelijk, dat zekere Leys , pastoor, de eigenlijke huurder was en heer Assveiius het land, ruim één Gemet groot, steeds door diens tusschenkomst in pacht bekwam. Jaren later is het perceel in erfpacht uitgegeven aan Ds. Jacobus Burs, hetgeen ons tot de meening brengt, dat men hier slechts met een stuk tuingrond heeft te doen gehad.

Deze heer Assverus heeft nog diensten in de Kerk verricht, nadat de overige Kanunniken vertrokken waren, en uit de

alsnog voorhanden bescheiden blijkt, dat het Kapittel, vóór het de stad verliet, zijne administratieve belangen had opgedragen aan hem als oudste lid der Geestelijkheid; aan heer Lam-breoht Maertensz., oudsten priester van Sehakerloo, had men de belangen van de kerkelijke bezittingen toevertrouwd, en aan heer Job Pietek.se van Duvenee , een der adellijke afstammelingen van de Cuuvinox’s van Reymerswale had men het beheer der goederen van het Sacramentsgilde opgedragen.

Ook heer Lambrbcht Maertensz. is hier gebleven: want enkele jaren later betaalde hij zijn poorterrecht, hetgeen hem burgerrecht verzekerde. Ook is bekend, dat zoowel aan heer Assverus Jacobsz., als aan heer Lambrecht Maertensz. een jaargeld van 200 gulden uit de opbrengst der geestelijke goederen is uitgekeerd 346).

Eveneens verkeert men niet in het onzekere nopens het verder verblijf van heer Job Pieterse van Duvenee. Deze geestelijke zekerlijk te zeer gegoed en van te aanzienlijken huize, om zich een jaargeld te laten welgevallen, had zich teruggetrokken bij zijne familie op // Duyvesteyn,” op welke ridderhofstede hij evenwel weinig tijds later overleed.

Heer J ob is als nog in de Kerk begraven, doch waar, dit kan niet meer worden nagegaan Hij is kort na het overlijden van heer Pieter Hendriksz. Bloos, hier als geestelijke gevestigd; eigenlijk was hij de opvolger van Gerard Bbau-mont, die reeds in 1563 onder de Kanunniken wordt vermeld. Hoogstwaarschijnlijk bezat de geestelijke een prebende waarover in der tijd ook heer Pieter Hendricksz Bloos heeft te beschikken gehad, want ook een der erfgenamen van dezen is een Pieterse, en heer Job voert insgelijks meestal dien naam.    Na heer Jobs overlijden, wordt Jan Symonsz. van

Duvenee vermeld, op wien het recht van collatie van een altaar, toen nog bezet met 20 Gemeten 57 Roeden eigendom, is overgegaan. Vervolgens verneemt men evenwel weinig van

dit geslacht. Slechts nog een vestigde zich hier Het was een Hendrik Pieterse van Duvenee , die in 1658 als poorter werd ingeschreven.

Omtrent het overlijden van heer Job Pieterse van Duvenee wordt niets vermeld. Doch ongetwijfeld is hij getrouw gebleven aan zijn geloof Het begraven van zijn stoffelijk overschot in de Kerk, nadat deze door de Geestelijkheid verlaten en reeds enkele jaren door de Rebellen of Sectarissen in gebruik genomen was, levert in die dagen van beroering, geen bewijs voor de veranderde godsdienstige overtuiging van den overledene. Het Roomsche volk bleef nog steeds gehecht aan zijne Kerk , en op het daarin alsnog begraven worden, stelde het nog grooten prijs.

Ook omtrent het afsterven van heer Assverus Jaoobsz. verneemt men weinig. Uit de kerkelijke rekening van 1616 blijkt evenwel, dat alstoen eenige van door hem nagelaten goederen zijn aangekocht door Ds. Jacobus Burs.

Men weet niet of de man als Roomsch-Katholiek, dan als protestant overleden is, wel zijn zijne goederen door het nieuwe kerkbestuur aangeslagen, doch deze aanslag kan zijn geschied , om redenen geheel buiten zijn geloof om.

Dat de man niet als geestelijke meer is opgetreden voor dat deel der bevolking, hetwelk der Roomsche kerkleer getrouw bleef, meent men te moeten opmaken uit de komst van een Anthonie Leys , als pastoor. Dan , heer A ssverus was bij de groote verandering, die op kerkelijk gebied plaats greep, oud; hij toch wordt reeds in 1566 onder de Kanunniken genoemd , en nu is het niet onwaarschijnlijk, dat hij zijne laatste levensjaren heeft doorgebraoht als rustend geestelijke bij den naar hier gekomen priester, bij den man, door wiens tusschenkomst hij ook het perceel grond in de nabijheid der stad tot aan zijn dood in gebruik bezeten heeft, eene omstandigheid , die zeer zeker ook voor ’s mans onveranderde overtuiging in zake zijn godsdienst pleit.

Het is ook niet onwaarschijnlijk, dat de heeren Assverus

en Leys, bij gemis aan voldoende inkomsten ten deele op andere wijze in hunne behoeften hebben moeten voorzien; wij hebben zelfs grond dit te vermoeden, daar lieer Assverus , behalve het perceel land, hetwelk hij van de Kerk in pacht had, ook jaarlijks voorkomt als huurder van //geannoteerde” Tienden, en de man, door wiens tusschenkomst hij den grond in gebruik bekwam, was in 1587 ook pachter van liet straat-mest der stad.

Nopens het einde van den gebleven Kanunnik Lambreokt Maeutensz deelen de besoheiden ons niets mede. Betreffende hem kunnen wij dus kort zijn, doch langer hebben wij alsnog stil te staan bij den voorlaatsten Deken, die bij het vertrek der Geestelijkheid nog in leven was.

Yan den gewezen Deken Jan Paschasius vernamen wij in de jaren 1577 en 1578 niets ’t Is dus onzeker, of deze alstoen hier, dan wel elders, verblijf hield. Van Heusen, die ons eenigermate omtrent hem inlicht, heet hem afkomstig van Geel en zegt dat hij op 11 Augustus 1588 te Breda, werwaarts hij vertrokken was, overleden is.

Nopens zijn geboorteplaats heeft de schrijver der //Kerkelijke Oudheden en Gestichten” zich stellig niet vergist; want ook enkele van des geestelijken erfgenamen kwamen uit Geel. Doch uit hetgeen wij in staat zijn nopens ’s mans volgend leven mede te deelen, blijkt dat twijfel omtrent zijn vertrek naar Breda gewettigd is, terwijl het vermelde sterfjaar bepaald als fautief moet worden aangemerkt. *t Is evenwel waarschijnlijk, dat het verhaal van het vertrek en het overlijden niet op hem, maar op zijn broeder Hendrik ziet.

De kerkelijke rekeningen van 1566 tot en met die van 1572 zijn alle door Jan Paschasius, als deken onderteek end; die van 1573 en 1574 zijn gesloten door heer Gornelis IIaeck, eertijds geestelijke te Antwerpen, doch later Deken van het Kapittel alhier, en na diens overlijden komt Hendrik en niet Jan Paschasius als onderteekenaar der kerkelijke stukken voor.

Waarom Jan Paschasius door den Deken Gornelis Haeck

werd vervangen, is raadselachtig en nog raadselachtiger is het, waarom hij reeds over jaren werd óntpoorterd. Maar opmerkelijk is het, dat Maatje, zijne zuster, het Sacramentsgilde verliet, haar //doodschuld” zelf aan die stichting betaalde, terwijl zij toch te Tholen wonen bleef. De uittreding uit het Gilde en de vervanging van haar broeder, den Deken, door een andèr, zonder een van beiden van woonplaats veranderde, geeft, in verband met hetgeen wij weten van vroeger, te denken.

Niet minder stof tot nadenken geeft het ontslag van een anderen PiscHAsius, namelijk van. den Rector der Latijnsche school te Zierikzee; omdat, zooals door den Vicaris van Stryen aan Al va was bericht, de man geene //admissie” had. Doch men vermoedt allicht, dat andere beweegredenen hebben bestaan; want niettegenstaande het gemis dier admissie was hij reeds acht en twintig jaar als onderwijzer werkzaam geweest, en men-leefde toch nog geenszins in de 19e eeuw, waarin die angstvalligheid misschien zou zijn te verklaren geweest 1).

Maatje Paschasius , des .Dekens zuster, bleef ondertusschen te Tholen, want later, in 1595, kwamen kerkmeesters bij haar, tot opvordering van drie verguld zilveren kelken met drie //plateeltjes”; zij had die voorwerpen van wijlen haar broeder Hendrik nog immer in bewaring en zij toonde zich ook bereid tot afgifte van dit zilverwerk, mits men haar de medewerking verzekerde, in het ten haren name stellen van' de eigendommen van haar overleden broeder. Deze medewerking werd toegezegd; want het zilver, ruim vijftig onsen zwaar, werd aan het kerkbestuur afgestaan.

De kelken en de plateeltjes waren dus weder in het bezit van de Kerk, die haar verkocht voor 22 £ 11    9 gr. Yls;

doch aangezien bij de smelting bleek, dat in dén van deze koperen staafjes waren gewerkt, werd de koopsom teruggebracht tot 21 £ 11 fi 6 gr. Vis.

') Kort verhaal der Reformatie van Zeeland, door J. Te Water, bladz. 331 en vv.

Zoo dan werden zelfs de hostiekelken versmolten. Dezelfde kelken, waarvan men de afbeelding nog op schier alle grafzerken van priesters aantreft, werden ook in spijt van geschiedenis en kunst te gelde gemaakt.

Deze ongezochte uitweiding over het zilverwerk, maakt eene andere, die veel grooter is, noodzakelijk; want het hier vermelde was geenszins alles, waarover de Collegiale Kerk, nog in gebruik bij de Roomschen, heeft te beschikken gehad. Ja toen men, beducht voor kerkroof, het zilverwerk op het Stadhuis in veiligheid bracht, was er stellig meer dan het vermelde, maar wat er eigenlijk alstoen geborgen werd, dit vermelden de bescheiden ons niet. En gewis, nooit zou men tot de volledige wetenschap der kerksieraden gekomen zijn, had niet eene toevallige omstandigheid daartoe geleid. Zie hier dan de toedracht der zaak: Nadat het voorgaande betrekkelijk dit onderwerp reeds te boek was gesteld, vond ik in het stadsarchief eenige opgerolde stukken met het opschrift //papieren van onwaarde.” Door nieuwsgierigheid gedreven, zag ik, ongeacht het weinig uitlokkende opschrift, de rol toch in, en vond, dat zij bestond uit een op perkament geschreven reglement voor het beheer der weeskamer, *) uit eene oude ver-koopacte eener woning van Jaoob van Botland, 2) en tot mijne groote verbazing, uit een stuk getiteld: //conditiën ende //bespreken, waerop de Magistraet der stede van der Tholen //verstaem souden te veraccorderen met de erffgenamen van wijlen //heer Hendiiïk Paschasiuseen document, waaruit wij zoowel vernemen, welke voorwerpen van de Kerk Maatje Paschasius eigenlijk onder hare' berusting heeft gehad, als welke door haar en haren broeder Jan, reeds toen te gelde waren gemaakt. De overeenkomst is opgemaakt tusschen de stad, die naar het schijnt voor het Hervormd kerkbestuur

') Zie bladz, 310 van dit werk. s) Zie bladz. 225 van dit werk.

optrad en Jan en Maatje Paschasius, broeder en zuster van den erflater, heer Hendrik Paschasius. Zij draagt tot dag-teekening 20 Februari 1596 en is behalve door de beide erfgenamen en Maatjes voogd, Adriaan Fransen , van wege de stad onderteekend door den secretaris Emanuel Oliphant.

Uit meergenoemd stuk blijkt nu, dat de Magistraat de eigendommen van heer Hendrik Paschasius heeft aangeslagen , omdat deze geestelijke het goud- en zilverwerk der Kerk tot zich genomen had De stad had zijne goederen steeds verpacht, doch ingevolge de alsnu getroffen overeenkomst, werden de erfgenamen in het bezit gesteld van die eigendommen , zelfs met vergunning tot inning der pacht van 1595 , maar daarvoor waren deze dan ook gehouden de penningen van ’t verkochte zilverwerk over te leveren in handen van den Stadsthesorier. Hadden zij nog andere gouden of zilveren voorwerpen van de Kerk, of was het hun bekend , dat anderen die bezaten, dan waren zij gehouden die terug te geven of daarvan aanwijzing te doen.

Jan Paschasius moest een inventaris overleggen van ’t verkochte zilver met opgaaf van hetgeen daarvoor ontvangen was, en met aanwijzing van den persoon bij wien het kapitaal was uitgezet. Ook moest worden medegedeeld aan wien de interest van het bedongen geld was uitgekeerd.

Aan het gevraagde of geeischte werd door den gewezen Deken texstond voldaan, zoodat nog denzelfden dag, waarop het akkoord getroffen was, bleek, waar en voor welk bedrag men het zilver verkocht had. Heer Jan Paschasius had het daarvoor bedongen geld zich niet toegeëigend , het was //uitgezet bij mejuffrouw Paulina de Pauwelse Vay , en heer Jan Oouwegontius , de gewezen Kanunnik, had de interest ervan genoten *).

>) Vaulus Vay komt in 1602 reeds voor als ouderling van de Hervormde Kerk te Bergen-op-Zoom.

De overgelegde inventaris of verkoopbrief werd aan de overeenkomst vastgehecht; hij was er nog aan, toen niij de stukken in handen kwamen, en alles latende, zooals het gevonden was, werd alleen het opschrift, het: // Papieren van onwaarde,” door eene andere omschrijving vervangen.

Maar laten wij dit merkwaardige stuk , hoe moeilijk het ook te lezen is, hier inlasschen; wij zien dan . wat de Kerk bezeten heeft en waar en bij wien de voorwerpen gebleven zijn. Het stuk dan luidt: // In den naem ons Heeren, amen! // Desen teghenwoordighen openbaren instrumente sy condt en //kennelyck eenen yegelycke, dat in den jaere ons Heeren // duysent vyff hondeTt een ende tachtigh in presentie van my // openbaer Notaris en die getuygen ondergescreven , ten ern-v stige versoecke van de Eerw. Wyse ende Secreten heer Jan h Pasohasiüs , eertyts Deken der Collegiale en parochiale // Kercke binnen die stadt van der Tholen is ten huyse van //Hendrik Wouters, staende in die Santstrate, open gedaen //secker cleyn kistken, dewelck aldaer gebracht was over lange // tyt, gelyck die voirs Hendkiok Wouters verklaerde, by // wiens vrouwe van Bergen op Zoom , waerinne bevonden is // zekeren silverwerck en kelcken , van der kercken van der //Tholen voirs., ghelyck die voirs. heer en Mayke , Jan Pa-//sgbasius verclaerde velerhande, waeroff.die specificatie hier-// nae volgt:    In den eyrsten een silveren ludelstock, item een

// silveren wieroockvat, item een silveren peys, item een ver-// guld silveren ciborie, item een silveren pan met een wapen // daerinne, item een vergulde silveren pan, item een silveren // schaelken, item een silveren croin, item twee silveren am-// pullen l), item een silveren cruys , item een vergulde kelck // met een patena 2), item noch een schone vergulde kelck //met een patena. Die stockkekelok met die patena weecht

*) Ampullen of buikige kannen.

3) Patena of vlakke schalen, door kerkmeesters in 1595 plateeltjes genoemd.

// vier Marck , twee uncen ende acht engelsehen. Item nocli // een verguld engelken met een halve mane , wegende twee n uncen min een engelsche, welcke schone vergulde kelcken //met die patena’s en vergulde kelcken met die patena’s en //verguld engelke, die voirs. heer en Mayke Jan Paschasiüs //noch in syne bewaeringhe heeft gehouden. Alle welk voirs. // silverwerk met den eenen voirsz. kelck en patena’s, nademael //dat het gesteken is geweest onder het vat, Jiet zilver en het //vergult ongesmolten uyteen is gesepareert geweest by Bal-// thasar Dries , goutsmit, in presentie van my Notaris en // der getuygen overgekomen, gewogen wesende is bevonden // dat het wit silvers overgesmolten, weecht ses ende twintigh //marck seven uncen en een hal ven. Ende het vergult silver //ongesmolten weegt vyff marck. Al d’welck voirs. wit silver // nademael dat het te begheerte is voirsz. heer en Mayke Jan // Paschasiüs by den voirs. Balthasar Dries , goutsmit, ge-//smolten is geweest, is gebleven op zes ende twintigh marck // en drye uncen elck marck tien penn. een ende twintigh greyn // en een quart greyn, facit fyns drye en twintigh marck // elff penn. een greyn ende is vercocht tegens twee en tsestich //schellingen Vis ’t marck gelyck den voirsz. Balthasar dat // verclaerde, beloopt tsamen vier ende tseventich pont groten, //houdt drie schellingen Vis. Ende het vergult silver weecht //vyff marck en vier engelsehen tegen O en IIT penningen der-//tien greyn en een quart, facit fyns, vier marck, vier penn.

// achttien greyn ende een quart, beloopt in gelde , derthien //pont twaelff sohellingen en seven groten Vlaems. Ende het //gesuyvert gout weecht in als een en twintigh greyn en een // quartken, maeken elf engelsehen en drye quart fyn gouts //dat beloopt in gelde twee pont thien schellingen en elff //grooten Vlaems, waer afgetogen voor het silvergelt een pont //groten Vlaems ende alsoo blyft het vergult silver met het //gout t’samen vyfthien ponden drye schellingen ende ses gro-// ten Vis. Alsoo blyft in alles het voirsz. geit de somma van //Negen en taehtigh ponden ses schellingen en ses grooten

n Ylaems eens. .In voldoeninglie van welcke voirsz. somme // van Negen en Tachtigh pont ses schellingen ende zes grooten //Ylaems eens, bekende die voirsz. keere en Mayke Jan Pa-// schasius ontfanghen te hebben dezen dertichsten dagh der //maent van Mey twee honderd acht en veertigh Z.sche dael-// ders ’tstnk tot vyff en veertigh stuivers gerekent, en noch // eenen penninek van negen stuivers nyt handen van Balthasak //Dries voirsz. van welck voirsz. somme heeft die voirsz. heer //en Mayke Jan Pasokasius in Jaere, daghe en maende r/ naergesproken in die tegenwoordigheyt van my Notaris en //die getuygen onder genoemt betaelt den voirsz. Baltecasar // Dries voorschreven voor het smelten en yeken, voir essay-// geit ses Garolus guldens eens, endo noch heeft den voirz. //heer en Mayke betaelt voor het overdragen van het voirsz. //kistken van Bergen tot Antwerpen vier stuivers ende noch //vyff schellingen Ylaems betaelt aen my notaris overgekomen //voor myn vacatie en het inventariseren en macken van dat //tegenwoordieh Instrument, versoeckende die voirsz. heer en //Mayke Jan Pachasius van alle tgene dat voirsz. is hier //gemerckt ende gekeurt te worden een ofte meer openbare // instrumenten.

//Dit is aldaer gedaen ’t Antwerpen aspeetum ten maende, //jaere en daghe voirsz. op den dertichsten dagh der voirsz. //maent van May in den jare XVC een en tachtig voirsz. //daermee by en over waren die Yuyst ende Dytrot, Jan Bol-//aerbs en den voirsz. Hendrik Wouters, boekverkooper, mitsg9. //poorters der stad van Antwerpen, als getuygen daertoe ge-// roepen en sunderlinghe geleden. Aldaer stondt onderteekend: //Gerardus Dienss Notaris.”

Het zilver, aanvankelijk hoogstwaarschijnlijk bij Maatje Pascsasius geborgen, is alzoo door haar en haren ouderen broeder Jan, in 1581, te Antwerpen te gelde gemaakt. Of de verkoop heeft plaats gehad met of zonder voorkennis van hun broeder Hendrik is niet gebleken.

Maatje Pasohasius, die om ons onbekende redenen in

1575 uit het Sacramentsgilde trad, was in 1595 nog te Tholen. Zij is waarschijnlijk hier gebleven; dan, noch in het kerkelijke, noch in het gemeente archief, verneemt men overigens iets meer nopens haar. Betreffende Jan Pasohasius wordt vermeld, dat hij in 1590 zijn poorterschap of poorterrecht aan de Kerk heeft betaald; eene omstandigheid, waaruit te besluiten valt, dat hij eenigen tijd afwezig is geweest, doch eindelijk zich hier weder als burger heeft gevestigd. In 1608 werd hij in de Kerk begraven, en op 15 September van datzelfde jaax, maakte de Diaconie in hare stukken bekend, dat zijne vaste eigendommen aan haar waren //gelegateerd” 1).

Alles nu samenvatende, doet vermoeden, dat Jan Pascha-sius, de gewezen Deken in 1574 is ontslagen, en dat hij op het einde van zijn leven, // de nieuwe leer” niet bepaald vijandig is geweest, ’t Is ook vreemd, dat, toen hij had opgehouden aan het hoofd der geestelijkheid te staan, hij niet door zijn broeder, den //vice deken,” werd opgevolgd, maar daarentegen vervangen is door iemand, wiens naam vóór dien tijd niet onder de Kanunniken wordt vermeld. Het was de Yicaris O. van Stbijen te Zierikzee, die het ontslag van den Zierikzeeschen Rector Pasohasius had voorgedragen; wellicht was het ook dezelfde Vicaris, die om bepaalde redenen, het ontslag van den toch reeds uit de stad gebannen Deken had bewerkt, doch of men hierbij bepaaldelijk aan //onzuiverheid” in zijne gevoelens hebbe te denken, is onzeker. Dit alleen kan omtrent die duistere aangelegenheid nog worden opgemerkt', dat de laatste Kerkerekeningen, die door Jan Pascha-srus als Deken werden gesloten, ook altijd werden onderteekend door den Vicaris; terwijl later, onder ’t beheer van den Deken Counelis Haeok , evenals onder ’t bestuur van den Viee-Deken, Hendrik Pasohasius , diens handteekening op de

>) Zie de rekening van de H. Geestmeesters van Tholen.

stukken niet meer voorkomt, en hij derhalve bij het doen der rekeningen ook niet meer tegenwoordig is geweest.

Volgens Ermerins zou Jan Paschasius pastoor van Oud-Vosmeer zijn geweest met heer Assvërüs Jaoobsz. tot //substituut ,” doch zooals ons bekend is, hield hij zich slechts te Vosmeer op, wijl hem reeds vroeger de stad was ontzegd. Of hij daar als pastoor is werkzaam geweest, is niet gebleken. Dan, hoe het daarmede gelegen zij, de man bracht hier zijne laatste dagen door. Hij eindigde te Tholen zelfs zijn leven met een weldaad van grooten omvang; hij toch vermaakte al zijne goederen aan den H. Geest of den Armen, met een legaat of deel aan ’t college van //Standonck” te Leuven. Zijn testament gaf aanleiding tot een langdurig proces voor den Hove van Holland, zóoals uit de stadsnotulen nog kan worden nagegaan Aan den H. Geest kwam een aanzienlijke hoeveelheid land, eene huizing, een boomgaard en eene jaarrente; een minder juist bepaald deel der nalatenschap was bestemd voor het reeds genoemde college, om daaruit de kosten te vinden voor het onderhoud en de opleiding van drie //arme studenten.” Over de verdeeling nu der nalatenschap of over hetgeen voor den Armen en dat, hetwelk voor de opleiding der drie studenten te Leuven moest worden afgezonderd, liep het geschil, dat eerst bij //transactie” van 28 November 1611, na //diver-sche reysen gedebatteert” te hebben, hoofdzakelijk door de ijverige bemoeiingen van den advocaat Mattheus Berghen alhier werd bijgelegd. Van ’t College te Leuven waren opgekomen de heeren Anthonib Meeuwsz., Willem Verboven en Paulus Ruts. Deze geestelijke broeders namen eindelijk genoegen met een geldelijke uitkeering groot 3000 gulden, te betalen in drie gelijke termijnen, te weten 1000 gulden //ge-reet,” 1000 gulden een //jaer daeraen” en de resteerende 1000 gulden weder een jaar later, onder de nadrukkelijke bepaling evenwel, dat deze erfgenamen het testament en alle daarop betrekking hebbende bescheiden zouden overbrengen met volledige quitantie van //patres respective van Standonck binnen

Leuven” :). Zij moesten bekennen //volcomenlick en ten volle betaelt te wesen van al suloken somme van penninghen, als henlu.yd.en offte voorseyd college van wylen den heer Deken Jan Paschasiüs gelegateerd zijn voor drie studenten” 347 348 349). De H. Geest van Tholen zou alsdan //vredelick ende ongemo-lestreert van yemande genieten en behouden de possessie en ’t effect van syn legaatbestaande in landen, eene huizing , een boomgaard en eene jaarrente, om daarmede te doen, als met een '/vrij eyghen goet,” maar voortaan zouden burgemeesters en schepenen van Tholen //alsulcke drie arme studenten senden als ’t hun goetduncken sal te domineeren naer ’t collegium eene bevoegdheid waarvan, voor zooverre mij bekend is, om genoegzaam te bevroeden redenen, helaas! nooit eenig gebruik is gemaakt 8).

Ofschoon het testament van heer Jan Paschasiüs niet meer voorhanden is, wordt toch eene opgaaf der eigendommen, door hem aan den Armen van Tholen >/ gelegateerdaangetroffen, en daaruit nu vernemen wij, dat de man, behalve de hier bovengenoemde rente en zijne woning, iiiet minder dan 65 Gemeten 235 Roeden eigendom aan de Diaconie heeft vermaakt. Waarlijk eene milde bespreking, en dat van iemand, die zijne Kerk heeft moeten verlaten, zonder met genoegzame zekerheid kan worden aangetoond, of hij // de nieuwe leer daarin verkondigd, al of niet gunstig is gezind geweest.

In de kerkelijke // Oudheden en Gestichten” van Zeeland , wordt Jan Paschasiüs regent genoemd van het //College Standonck” te Leuven, en deze zijne betrekking tot die stichting verklaart de bespreking ten behoeve daarvan. Daarin wordt ook gezegd, zooals wij reeds vroeger opmerkten , dat hij in 1588 is overleden, doch uit het bijgebrachte blijkt, dat ook het sterfjaar foutief is. Men noemt hem in die ker-

kelijke oudheden tevens den laatsten Deken, doch ook in dat opzicht heeft men zieh vergist; als zoodanig moet heer Oon-nelis Haeck -worden aangemerkt.

Van heer Hendrik Pasohasius deelen de bescheiden ons weinig mede. Zijn // Torenhuys” op het zuidelijke einde der Hoogstraat, ook wel //De Zwaenhoeve” geheeten, was door hem zelf te gelde gemaakt, en aan Baltsen Hubrechts , den man, dien wij uit de //Sententiën” van Al va leerden kennen, en die na zijn ballingschap tot lid van den nieuwen kerkeraad was benoemd, had men het beheer over ’s mans overige in beslag genomen goederen opgedragen. Toen deze daarvan in 1585 voor Baljuw, Burgemeester en Schepenen rekening deed, bleek dat na hee.r Hendriks verscheiden nog 18 £ Vis. van diens verkochte huizing moest worden betaald. Deze invordering, ’t is opmerkelijk, kwam niet ten bate van zijn broeder of zuster; maar verviel voor de helft aan de erfgenamen van Janna Mosterpot en voor de andere helft aan wijlen Hubrecht Mosterpot , die bij testamentaire beschikking zijne gansche nalatenschap had vermaakt aan de Kerk en den H. .Geest, elk voor de helft, zoodat ook nog eenig gedeelte van wijlen heer Hendriks vermogen ten bate kwam van de Kerk, in welke men hem reeds in 1559 als Kanunnik had aangetroffen.

De Geestelijkheid nogmaals in haar geheel overziende, en daarbij nagaande, welke veranderingen onder haar in de laatste jaren hadden plaats gehad, blijkt dat niet allen bij den over-gang der Kerk hier reeds vele jaren waren werkzaam geweest. Uit de rekeningen van het laatste gedeelte der 16e eeuw verneemt men, dat Gerard Beatjmdnt, die in 1563 den Kanunnik Rombout Joosse was opgevolgd, reeds in 1567 is overleden; in diens plaats is gekomen heer Job Pieterse en deze en heer Jan Sarrot, die heer Arent Jansz. de Bonte heeft vervangen , doch enkele jaren te voren nog als Vice Deken te St. Maartensdijk was werkzaam geweest, hadden bij de groote verandering in 1579 hier alzoo nog niet lang dienst gedaan. Onder

de vertrokken Kanunniken waren maar enkelen, die een reeks van jaren in de Kerk waren werkzaam geweest. Zij, die kaar in al haar luister gekend en gediend hadden, waren Jan en Hendrik Pasohasius , A-ssvekus Jacobsz. en Jan Oouwegon-tius , en voor deze heeren, inzonderheid voor Hendrik Pa-sohasius en Jan Oouwegontius moet het gedwongen vertrek moeielijke oogenblikken hebben opgeleverd.

Wij zouden nu met de kerkelijke zaken kunnen eindigen, indien niet eene bijzonderheid ons alsnog noopte eene poos daarbij stil te staan, ’t Is evenwel noodig dit te doen. Wij moeten zelfs nog even terug tot ongeveer het midden der 16e eeuw, ten einde onze lezers in kennis te stellen met een geestelijke, aan wien zoowel de Kerk, als de H. Geest mede groote verplichtingen had, en wiens naam, schoon reeds onderscheidene malen genoemd, wij zeer stellig geroepen zijn voor altoos aan de vergetelheid te onttrekken. Te meer wenschen wij dit te doen, omdat de stukken, waaraan ook deze bijzonderheden werden ontleend, voor anderen schier niet meer te ontcijferen zijn.

Omtrent het midden der 16® eeuw stond te Oud-Vosmeer eenigen tijd als pastoor heer Pieter Hendriksz. Block , een naamgenoot en achterneef van heer Pieter Blook , van den man, dien wij reeds bij de Kerkverheffing, in 1404, van zoo gunstige zijde leerden kennen. Hoe lang hij als geestelijke te Oud-Yosmeer is werkzaam geweest, wordt niet vermeld; doch ’t is waarschijnlijk, dat hij zijn dienst aldaar heeft overgedragen aan den pastoor Mattheus Hulsel, aan den man, die in 157& nog als zanger bij de Sacraments-Missen in de Collegiale Kerk alhier optrad. Heer Pieter is evenwel in deze Kerk, waarvan hij Kanunnik en Deken was, werkzaam geweest, want wij zagen hem onderscheidene malen optreden voor het doen der Missen op het Stadhuis, wanneer de getabberde Heeren op St. Servaasdag daar gezeten waren, zoo voor het doen der rekening, als voor het veranderen der Wet.

Zoodra de geestelijke van zijn vasten kerkdienst hier ont-

slagen was, heeft hij zijne laatste dagen in rust doorgebracht. Hij genoot van deze Kerk een jaargeld, en had reeds in 1547 schikkingen gemaakt met het Kapittel voor zijne begrafenis, door zeker bedrag uit te reiken voor aankoop van een langwerpige tafel in het Priesterkoor. De Kerk moest daarvoor zijn uitvaart bekostigen , zooals blijkens de stukken , daarvan alsnog aanwezig , ook werkelijk is geschied. Al de uitgaven voor zijn uitvaart vindt men verantwoord; alleen is het onbekend op welke wijze de Metten der overledenen gezongen zijn, en hoe, na den Lauden, het plechtige Kequiem in de Kerk-heeft plaats gehad.

Dan, schoon heer Pieter een jaargeld genoot van de Collegiale Kerk, hij was toch geenszins een onbemiddeld geestelijke ; integendeel, hij schijnt rijkelijk met aardsche goederen te zijn gezegend geweest, want bij den verkoop der eigendommen van Jan van Blois , heer van Treslong, waren door hem niet minder dan 60 Gemeten //vroonen” aangekocht. Het jaargeld pleit dus wel voor verrichten kerkdienst, maar niet voor behoeftige omstandigheden, waarin hij zou hebben verkeerd. Trouwens ook zijne afkomst, als zijnde even als heer Job Pietek.se , een afstammeling der Duvenée’s of Curvinoxs , doet aan geene misdeeling van aardsche goederen denken.

Bij uiterste wilsbeschikking besprak heer Pieteb het vruchtgebruik van deze schotvrije gronden aan zijne bloedverwanten Maike Pietebse en Maarten Pranse , doch na hun dood moest de eigendom ter beschikking komen van de Collegiale Kerk in welke hij bepaald had, dat ook zijn stoffelijk overschot zou komen te rusten.

Bene zoo ruime schenking was aan de Kerk nog zelden toegedacht , zij werd alleen overtroffen door de hiervoren om-sohreven erflating van den Deken Jan Pasohasius , en het is ook uithoofde van die aanzienlijke gift, dat wij ’s mans naam hier opzettelijk hebben herdacht. De Kerk, die zonder de uitgebreide bezittingen van het Kapittel en de landen van het Sacramentsgilde, reeds over 75 Gemeten, eigendom beschikte,

zag hare inkomsten door deze schenking beduidend vermeerderen. Jammer evenwel, dat in later dagen, die vroonen, even als de andere eigendom, geheel in strijd met den wil der erflaters, in een onbeteekende erfpacht zijn uitgegeven. Ware zulks niet geschied, dan zou èn de Kerk, èn de Diaconie , zich tegenwoordig nog in het bezit van waarlijk ruime fondsen kunnen verheugen. Dan, gebrek aan eerbied voor het voorgeslacht, minder belangstelling in het lot der armen , of mogelijk ook iets anders , leidde er toe, om den bloei en den staat der Kerk ook op finantieel gebied voor altoos te knakken. De erflaters hebben daaraan geen schuld: ’t was een ander geslacht, dat die weldoeners der menschheid zelfs bij overlevering niet meer kende, hetwelk datgene, wat in den loop der eeuwen door ware vroomheid voor armen en zwakken , die zoo slecht den strijd om het bestaan kunnen helpen uitvechten, bij elkander was gebracht, als het ware weder deed wegzinken onder het algemeen.

A.an de Kerk van Oud-Vosmeer had de eerbiedwaardige geestelijke 8 £ kapitaal of 10 schellingen rente toegedacht, onder den last eener v eeuwigh jaergetij van drie lessen,” benevens eenige andere diensten, alles tot //syner siele saligheyt.” Dan, in 1576, toen de vruchtgebruikers van de aan de Kerk vermaakte eigendommen overleden waren, en Oud-Vosmeers Kerk , vermoedelijk door de // Sectarissen” zeer beschadigd was, verschenen de uitvoerders van den laatsten wil van wijlen heer Pieter Hendriksz. Block , Jan Paschasius en Job Pieterse in het Kapittelhuis met het voorstel, om aan de Kerk van Oud-Vosmeer alsnog 8 £ Vis of eene jaarlijksche rente van 10 schellingen toe te staan, iets wat bij al de geestelijken goedkeuring verwierf Men bepaalde alstoen, dat het Jaargetijde van // drie lessen” bij den //testateur” weleer bepaald, voortaan zou bestaan uit negen lessen, doch de Ambaehtsheeren van Vosmeer moesten vooraf toestaan, dat het vierde gedeelte der vroonen, omtrent 15 Gemeten bedragende, neeuwiglyck” bezwaard zoude blijven met zekere kerkelijke lasten van wege

het Kapittel. Die lasten dan bestonden in een Jaargetijde en in het uitdeelen van zeker aantal brooden driemaal sjaars op de Sint-Pietersdagen. In de opbrengsten zouden dan ook deelen de dienaren der Kerk van Oud-Vosmeer ; als zijnde ook zij leden van het Kapittel. Hetgeen er oversekoot zou ten bate komen van een // bequaem predicantdie // altyt ’tson-daechs ende ’t Heyligdaechs zou catechismum doen ende der Ohristelycker heligien fundamenten ende hoofdstuoken binnen onse Collegiale kercke van Tholen.” De Heerschappen zouden ook gehouden zijn in Mei, de maand , waarin heer Pietek, overleden was, een Jaargetijde te laten doen van //negen lessen” en alle Zondagen in die maand na // ’t sermoen” te doen bidden voor de rust der ziel van den //fondateur" 1). Voor het tijdig aankondigen van dit Jaargetijde en de Zondaagsche gebeden in de week te voren, zou de // vice-pastoor” van Oud-Vosmeer ontvangen 4 schellingen met nog twee pond was voor offerlichten en vier pond was voor twee groote kaarsen, die op den dag van ’t Jaargetijde ontstoken moesten worden. Ook de koster zou gehouden zijn het Jaargetijde en de Zondagsche gebeden vooraf bekend te maken, door het luiden van al de klokken, gedurende eene // goede pooze,” en daarvoor en voor het // helpen zingen,” zou hij jaarlijks 16 grooten Vis ontvangen. Was hij tevens priester, dan was hij ook gehouden de Mis te helpen bedienen. Ingeval er een kapelaan was, zou deze voor de hulp in // ’t zingen” bij het Jaargetijde 12 grooten genieten, alles te bestrijden uit de 20 schellingen rente van de 16 £ Vis en hetgeen er overbleef, kwam ten bate der Kerk van Vosmeer. En opdat nu deze //fundatie” des te beter in stand mochte blijve en altijd onderhouden worden , hadden de // executeuren,” die van heb Kapittel en den gezworen notaris // gebedenhet daarvan opgemaakte stuk te onderteekenen op 4 September 1576.

0 Heer Pieter Hendriksz. Block is 26 Mei 1565 overleden , oud omtrent 77 jaar.

Wij zien liet, de geestelijke beschikte over zijne nalatenschap met zorgvuldige nauwkeurigheid, bestemde de plaats, waar zijn gebeente rusten moest, maakte bestellingen, die volgende geslachten moesten uitvoeren, deelde weldaden uit na zijn dood en poogde zelf te leven van de mildheid of liefdadigheid Was dit alles louter begoocheling, de vrucht des vooroordeels van kindsbeen ingeprent of met de moedermelk ingezogen P Wie zijn wij, om zoodanig oordeel te vellen ? En met welk recht zou men handelen, om de heiligste ingevingen des mensche-lijken gevoels voor dwaling en droomerij te verklaren? Neen, al wat groot en goed was onder de menschen, gevoelde steeds eene nauwe betrekking, inzonderheid tot de zwakkere wezens van zijn geslacht, en naar mate men grooter en edeler was, werd deze betrekking inniger en heiliger, haar invloed mach-tiger en vergat men zichzelven, om ook voor volgende geslachten te leven. Men was er van overtuigd, dat zij die eenmaal leefden , zoowel als zij die leven en leven zullen, allen met een onverbreekbaren band aan elkander verbonden zijn.

Heer Pieteh Hendhiksz. Block wordt niet onder de geleerden zijner eeuw gerekend; niets is zelfs van zijne letterkundige loopbaan bekend. Het is vrij waarschijnlijk, dat hij alleen hier en te Oud-Vosmeer den gewonen kerkdienst heeft verricht en derhalve nog in lang niet dat aanzien genoten heeft als zijn voormalige naam- en ambtgenoot, die zooals ons bekend is, jaren achtereen als hofkapelaan van Hertog Albrecht is werkzaam geweest. Maar moet men uitsluitend groote talenten op letterkundig gebied in eere houden? Is men niet eveneens geroepen ook de namen van hen, die door oprechte milddadigheid en wezenlijke vroomheid hebben uitgemunt, aan de vergetelheid te onttrekken? Gewis. Men moet ook de nagedachtenis van dezulken, die dit leven niet konden verlaten, alvorens der Kerk of hunnen armen natnurgenooten eene weldaad bewezen was, in eere houden. Wij moeten hunne nagedachtenis zegenen, zoo dikwijls wij daartoe in de gelegenheid zijn. In welk een armzalige wereld toch zouden wij leven,

Offline webmaster

  • Administrator
  • Full Member
  • *****
  • Berichten: 133
  • Geslacht: Man
  • local historian
  • -Locatie: Willem van Beierenstraat
Re: Geschiedenis stad tholen uit HOL1 - 5 vanaf 1552
« Reactie #4 Gepost op: augustus 05, 2017, 04:42:26 pm »

indien alleen aan //het talent” moest worden gedacht? Bovendien merke men op, dat men bij zoogenaamde groote vernuften, bij fijn beschaafden, niet zelden minder edele gezindheid aantreft , dan bij eenvoudigen of soms geheel ongeletterden; bij mannen als Pieter Hendriksz. Block is de adel van het karakter in daden uitgedrukt.

Heer Pieter heeft in 1565 deze aarde verlaten, doch wij vernemen niet, waar ergens in de Kerk de man begraven werd. Even als van zijn naamgenoot, is ook van hem geen grafgesteente meer aanwezig. Hoogstwaarschijnlijk is de eenvoudige man ook met den grootsten eenvoud ter aarde besteld, want afgaande op zijne levenswijze' en op hetgeen de bescheiden ons aangaande hem melden, waren stellig geene bijzondere fondsen voor eene zoogenaamde rijke begrafenis door hem aangewezen; aan gebeden van vele vrienden en vereerders zal het daarentegen zeker de ziel van den eerwaardigen priester niet hebben ontbroken.

’t Is opmerkelijk dat wij de Kerkverheffing met een Pieter Block aanvingen en het einde van die Kerk mot een Pieter Block moeten besluiten, zonder dat van den dén, zoomin als van den ander, eenig spoor van hun stoffelijk overschot valt aan te wijzen. Gewis waren langen tijd hunne graven wel bekend; maar er is zooveel veranderd en opgeruimd; zooveel gedenkstukken ontvingen eene gansch andere bestemming. Voor den opmerkzame is het aan onze oude zeeweringen nog te zien, werwaarts vele dier eerbiedwaardige voorwerpen zijn belend. Ook zal dit later blijken uit eene beschrijving van een dijkval buiten de Waterpoort en wie zal zeggen, of ook niet daar, diep onder de wateren, op de bedding der rivier, de voorwerpen aanwezig zijn, ■ die eenmaal ook de laatste rustplaatsen van de hier bedoelde geestelijken hebben aangeduid? 1). 350

Overdenken wij nu nogmaals het voorgevallene. Stellen wij de meest gewichtige gebeurtenissen der laatste jaren nog eens duidelijk voor den geest. Hetgeen toch in het kerkwezen voorviel, zijn merkwaardige verschijnselen op historisch gebied, terwijl de invloed daarvan zich ook weldra deed gevoelen op de politieke gedachte van het volk.

Opmerkelijk is het, dat de kerkelijke strijd van vroeger dagen zooveel overeenkomst heeft met dien van onzen tijd. Van overleg bij de partijen was ook toen geen sprake, van kalmte en bezadigdheid evenmin. De Koomschen, wetende wat de machtig geworden Hervormden verlangden ten opzichte der beide Godshuizen, schreven nog in tijds aan den Prins , om toch één der voorvaderlijke bedehuizen, met de kerksieraden voor den dienst bestemd te mogen behouden. Dit werd hun toegestaan, en terecht, want de stad had zich aan de zijde van //Zijne Altesse” geschaard, onder uitdrukkelijk beding van handhaving van den Roomsch-Katholieken eeredienst. Maar de bovendrijvende partij, eenmaal van haar macht bewust, en de omstandigheden in haar voordeel hebbende, wilde het 'anders. Ook zij, kinderen van voorgeslachten, die gedwaald hadden, moesten op hunne beurt in nog ergere mate dwalen. Niet de Hervormden, die door hunne leer zich feitelijk hadden afgescheiden , moesten eene kerk nevens de kerk stichten; neen, hoe billijk dit ook ware geweest, de Roomsehen nog volstrekt niet in de minderheid, moesten eruit, en eenmaal eruit werden zij genoodzaakt de uitoefening van hunnen eeredienst op te schorten, en zoo hun dit niet aanstond, liet men hun de vrijheid te vertrekken naar streken waar de //Paapsche Religie” bloeide x) ’t Waren de Hervormden, wien de beide kerken rechtmatig toekwamen , en die haar, noodig of niet, daarom ook opeischten, zonder te bedenken, hoeveel leed den //geloovighen” en hoe-veel toekomstige ellende, zij zich zelven daarmede op den hals haalden. Van der Staten zijde inventariseerde men de kerke-

lijke goederen vóór de beklagenswaardige geestelijken vertrokken waren, even alsof deze elk oogenblik gereed stonden , daarmede op den loop te gaan. De Hervormden alleen beslisten, wat goed en niet goed was. Zij, die aan de oude kerkleer gehecht bleven, vormden eene klasse van verdachten. Hun vaderland was niet hier, maar verre over de bergen, ’t Was duidelijk, ’t was met hun ijveren voor de Kerk allen te doen, om het behoud der goederen, en in geen geval daaraan toegegeven. De Roomschen moesten uit de Kerk; uit de Kerk, na eerst echter van al wat daarop betrekking had, tot zelfs het zilverwerk toe, afstand te hebben gedaan. En, zoo een enkel geestelijke weigerde , wat //der kereke” was, ook //der kercke” af te staan, was verhaal op diens persoonlijken eigendom volkomen gewettigd. *) Zie, wie nn, die eenigzins den strijd in de Kerk van onze dagen heeft meegeleefd, staat niet verbaasd over de treffende overeenkomst, in ’t geen wij daarbij en over drie eeuwen zagen gebeuren? Maar is een terugkeer van volkomen gelijke toestanden dan de natuurlijke loop der dingen? Beschrijft de menschheid ook op dit stuk dan altijd een volkomen cirkelgang? Is het een gewoon verschijnsel, slechts een niet te veranderen uitvloeisel van partijschap, dat de sterke of machtige steeds schijnt geroepen te zijn, den zwakke te verdrukken; en vinden wij bij dit alles, uitsluitend troost in de gedachte, dat de ellende aan de verdrukking verknocht, gewoonlijk aan misverstand, slechts zelden aan boos opzet, te wijten is? 351 352)

Helaas! de Hervormden begrepen niet, dat hunne Kerk , wilde zij recht hebben van bestaan en haar toekomst zoo mogelijk verzekeren, zij inzonderheid ook op rechtvaardigheid moest zijn gegrond. Men hield daarmede echter niet voldoende rekening en van daar de spoedige inzinking van haar aanvankelijk genoten bloei. Slechts weinige jaren toch na hare vestiging legde zij, schoon onwetend, den grondslag voor haar verderf; hare leden, in hunne afgezonderde lokalen vergaderende , staarden zich blind op die oude, eerbiedwaardige tempelgebouwen en op den rijkdom, daaraan verbonden; zij vorderden eindelijk alles voor zich, zonder de wetten van billijkheid en betamelijkheid in acht te nemen, en toen ook hun die gevulde geldbuidel ontviel, maar zij nochtans voor hunne jeugdige vereeniging door tussohenkomst hunner Staten, daaruit tegemoetkoming of betaling van de //gagien” hunner geestelijken vorderden, was de eerste stap voor het opofferen hunner kerkelijke zelfstandigheid voor altoos gedaan. 'De tweede nog noodlottiger stap, deed men met de opleiding der predikanten te binden aan eene niet bepaald kerkelijke stichting; en tot wat uitkomst een en ander heeft geleid, zal, wist men ’t niet reeds bij ervaring, uit het vervolg dezer bladen voldoende blijken.

’t Is onbegrijpelijk, hoe men niet terstond het gevaar aan die handelingen verbonden, heeft ingezien; het lag toch voor de hand, bond men eenmaal voorwaarden aan de uitbetaling der //gagiën” van de leeraars, en dit bracht den aard der zaak mede, dat men dit vroeg of laat doen zou; werden eenmaal de professoren van de voor de opleiding der leeraren gekozen instelling ontrouw aan //de leer,” en ook hiervoor lag de mogelijkheid en waarschijnlijkheid voor de hand, dat alsdan ook de gevolgen van een en ander op de Kerk moesten nederko-men. Men had zich moeten afvragen, welke de gevolgen konden zijn van zich afhankelijk te maken van den Staat, en of een academie als de gestichte er wel altijd geloof en hoop voor het eigenlijke volk op na zoude houden. Maar men handelde

als zoo vaak , zonder de gevolgen der handelingen te kunnen o verzien.

Neen, de Hervormden hadden het moeten kunnen aanzien, dat de Roomsch-Katholieken nevens hen in ’t genot van hunne ICerk en van hunne goederen, rustig hadden blijven voortleven. Niet hij, die getrouw blijft aan de leer zijner Kerk, ■ maar wel die, welke daarmede breekt, is verplicht haar te verlaten; door omgekeerd te handelen pleegt men onrecht en geweld. De Hervormden hadden nooit met begeerige blikken naar de goederen der Kerk moeten omzien; daarop toch rustten verplichtingen , waaraan door hen niet meer kon worden voldaan. Ook ging het niet aan, die verplichtingen te minachten of daarmede op luchthartige wijze te handelen; men had die veeleer, zij het dan niet uit overtuiging, dan toch om der eenvoud en oprechtheid wil, welke daarbij ten grondslag lagen, belmoren te eerbiedigen. En hadden de Hervormden de Koomschen in ’t bezit der Godshuizen gelaten, dan waren zelfs de eigenlijke kerkelijke goederen, bestemd voor het onderhoud van het gebouw, stellig nooit aan hunne bestemming onttrokken x). Nog hadden de besturen dier bedehuizen zich in het bezit van voldoende fondsen kunnen verheugen, om daarmede al datgene te te doen, wat noodig is. Nu daarentegen zijn ook die middelen grootendeels verdwenen of in verhoogingen van predikants- * tractementen omgezet.

Maar, zooals ’t gewoonlijk het geval is, door partijschap verblind, duldde men andersdenkenden niet nevens zich. Allen moesten protestant worden; op eenheid in gedachte kwam het voor de zonen van hetzelfde vaderland aan. ’t Geen men voorstond, moest ook anderen worden opgedrongen. Men wees gedurig op de gevaren aan de uitoefening van den hoomschen Eeredienst verbonden. Anderen te dulden stond gelijk met de gevestigde Kerk, waaraan, naar het heette, het volk gehecht

was, te ondermijnen, en bovendien de Hervorming vertegenwoordigde een godsdienstig beginsel, waarbij ieder het hoofd gerust kon nederleggen. Men achtte zich tot uitoefening van alle pressie en uitsluiting gerechtigd, want ’t geen eindelijk de meerderheid verlangde, was voor de minderheid ongetwijfeld goed. Geene Kerk nevens de ICerk, en de oude Kerk paste niet meer bij de nieuwe orde van zaken. Maar wat gebeurde ? Geraakte men door dwang, door achteruitzetting tot eenheid in gedachte? Helaas! slechts in schijn, In werkelijkheid legde men den grondslag voor eene grenzelooze - verdeeldheid en onverschilligheid , die vroeg of laat hare bittere vruchten moesten na zich slepen. De jeugdige Kerk nam allerlei daartoe gedwongen bestanddeelen in zich op; uit berekening sloten vele rijken en machtigen zich bij de nieuwe richting aan; het leven zonk in, en uit die gemengde massa ontstond eene bewegelijke en machtige, doch minder ernstig godsdienstige partij, wier voortdurende toeleg het werd, om met hun dwingerige politiek het leven van de stillen en vreedzamen te verbitteren 1).

Maar ’t valt ons, de zaak van achteren beschouwd, niet moeilijk te zeggen, hoe het had moeten zijn. Yoor onze vaderen, niet toegerust met de noodige ervaring, waren ongetwijfeld vele toestanden duister. Bovendien men moet der menschen daden beoordeelen naar de omstandigheden, waaronder die verricht zijn; ook verlieze men het niet uit het oog, de Reformatie nam van stonde af een beslist politiek karakter aan, en de gevolgen daarvan werden wellicht door de leiders, niet door Tholens eenvoudige poorters begrepen Niemand doe hen daarom verwijten, en te meer niet, wijl wij tegenwoordig tegenover de meeste, zoo niet alle verschijnselen, schier nog op volmaakt'gelijke wijze zien handelen.

Maar stappen wij nu van die oude kerkelijke zaken af;

schier elkeen van invloed keeTt Rome den rug toe. De Hervorming heeft ook hier haar heerschappij gevestigd en verzekerd. ’t Ts de indruk van een voorbijgaande gedachte, zoo sprak de een, die de afscheiding had gadegeslagen, maar daarmede toch niet had ingestemd; ’t was een werk Gods, zoo redeneerde een ander, die, hoewel nog niet geheel gebroken met de Kerk, doch op het punt stond zich bij die van de Religie aan te sluiten; en een derde, blijvende wat hij was, schorste zijn oordeel op, het alleen aan de toekomst overlatende, wat uit de geweldige beweging zou geboren worden. Wel vroeg misschien zoodanige zich af, zullen de //Sectarissen” getrouw blijven aan hun voorgestaan en doorgedreven geloof, waarin nog het een en andeT is, waarmede de Kerk vrede heeft. Zal ook hunne leer weder spoedig betwist worden; zal men de nieuwe belijdenis zich ooit weder schamen, of zullen de nazaten der tegenwoordige belijders bf tot de moederkerk of tot een verwaand heidendom terugkeeren ? Alles was mogelijk, maar hij nam nopens dit alles wellicht een zorgvuldig zwijgen in acht, het aan den tijd, die zooveel weet op te klaren, overlatende, wat uit de verandering komen zou. Spreken ook wij daarom over de groote omkeering van zaken geen verder oordeel uit; trachten wij liever uit den samenhang der volgende gebeurtenissen tot de wetenschap te komen, wat wij der verandering, zoo op maatschappelijk , als op kerkelijk gebied, te wijten, wat haar te danken hebben. Nog immer toch is nauwkeurige waarneming van hetgeen wij om ons zien gebeuren, de eerste voorwaarde, om een verstandig menseh te worden. Dit echter weten wij, dat de Hervormden aanvankelijk zich hebben voorgesteld, de door hen getrokken lijn steeds evenwijdig te doen loopen met die der verlaten Kerk, De //gezuiverde leer” werd gedefinieerd; hunne voorgangers waren gehouden eiken Zondag uit den Catechismus te prediken; de volledige kennis der omschreven waarheid werd tot voorwaarde gesteld bij het toetreden tot het lidmaatschap der gemeente; de predikanten en ouderlingen waren leden der classis, en ook op elke vergadering dier classis was een

der voorgangers gehouden ten aanhoore van al de overigen te precken over één der Zondagen uit den Catechismus. Bij de minste afwijking van de leer hielden de leden der classis er zich van overtuigd, gerechtigd te zijn tot voorloopig ontslag van den ontrouwen Dienaar. In opzicht tot het vertrek van een predikant werd de zelfstandigheid der gemeente gehandhaafd : achtte men het heengaan van een leeraar in het nadeel der gemeente , dan werd hij genoodzaakt te blijven , ook dan, wanneer aan het vertrek een aanzienlijke lotsverbetering verbonden was.

Wat het onderwijs betreft, dit zou men leiden op den weg der Kerk. Meer banden dan nu waren verbroken , was men alzoo niet voornemens te slaken; het moest bij het veranderde blijven en wie waren beter in staat daarvoor te zorgen, dan de opzieners of de dienaars der gemeente zelven ? In hoeverre men in al zijne oogmerken slaagde, zal uit het vervolg ook van Tholens geschiedenis blijken.

Alles wat ik uit oude, uit het stof der eeuwen opgedolven bescheiden , omtrent het oude kerkwezen of nopens de groote verandering op godsdienstig gebied voor Tholen kon te weten komen, heb ik medegedeeld, en naar ik vertrouw, zoo onpartijdig mogelijk. Heb ik in een of ander opzicht gedwaald, dan is zulks geschied, ondanks mijne betere bedoeling: ’k heb getracht dé zaken voor te stellen, zooals zij zich werkelijk hebben toegedragen, geen acht gevende op partijbelang. Bovendien heb ik steeds getracht mij in de toestanden en denkbeelden van vroeger te verplaatsen , en van daar dat, naar ik hoop, ook nergens ernstige zaken op luchthartige wijze zijn behandeld.