Auteur Topic: Geschiedenis Poortvliet uit div. stukken  (gelezen 624 keer)

0 leden en 1 gast bekijken dit topic.

Offline webmaster

  • Administrator
  • Full Member
  • *****
  • Berichten: 133
  • Geslacht: Man
  • local historian
  • -Locatie: Willem van Beierenstraat
Geschiedenis Poortvliet uit div. stukken
« Gepost op: augustus 03, 2017, 09:09:36 pm »


Poortvliet in zijn eerste opkomst. .

Poortvliet in zijne tegenwoordige grootte.

Twee kaartjes, behoorewde tot de nagelaten verhandeling van mr. J. Vek-
heije van CiTfEits over de opkomst en aanwas van de ambachtsheerlijkheid
Poortvliet, uit Nehalennia 1850. Deze verhandeling bevat een reeks van ver¬
nuftige, hoewel, naar het mij toeschijnt, soms gewaagde, onderstellingen over
het ontstaan van Poortvliet in de ondiepe zeeboezem, welke den Saksischen
imam vau Helle (het dooi' het water bedekte) droeg. Onder de rooden. (sckeeps-
reeden of legplaatsen) aldaar, was een der voornaamsten het roozenveld, een
naam nog bewaard in een stuk land bij Tholen en een geslacht ran daar her¬
komstig. Die reede grensde aan het ruime water de Strien , dat de oevers van
Brabant besnoeide . doch door op» en aanwassen steeds enger werd, hoewel toch
altijd de grens uitmakende tusschen Zeeland en Brabant en de bisdommen van
Utrecht en Luik, (zie over die paalscheiaing o. a. ook 4e Copulaaiioek, f°.
560). De groote inhammen der schorren dienden aldaar tot vlucht- of vliet-
havens (porten), waarnaar dit ambacht zijn naam kreeg. Dat Poortvliet oudtijds
eene zeehaven was, zou men ook kunnen afleiden uit de verplichting dier heer¬
lijkheid om een oorlogschip uit te rusten bij de vloot, welke in 1438 den Hol-
landschen en Zeeuwschen handel tegen de Oosterlingen beschermen moest, (Er»
HI5KINS, Zeeuwsche oudheden, dl. VII, bl. 71).

De heerlijkheid Poortvliet bestaat, afgescheiden van latere aanwassen, uit Oud
Poortvliet, het Nieuweland of de polder en de Welhoeken. De aanwinst M'al-
land (het zachte land) werd alzoo geuoemd in tegenstelling van het Scarpe,
dat zuidelijker opkwam. De Priestermeet was eene op zichzelve staande bedij¬
king, waarvan de naam schijnt te wijzen op eene plaats, waar de schepen uit-
gerast of in orde gebracht werden. De Bartelmeet of moer duidt op de moeren
van zekeren Bartel , nadat zij meet, of bekwaam tot indijking, geworden zijn.
Baarsdijk werd alzoo geheeten naar de baarten of baartsen , welke bekende soort
van vrachtschepen aldaar aanlegden of afvoereu. Smalzie of smaalzijde was het
smalleland. De deelen van Poortvliet in den Pluimpot zijn de gorzen , welke
ten oosten en langs de dijken van 'Malland, Smaalzijde, Baarsdijk en Priester¬
meet aangewassen zijn, terwijl die ten westen aan St. Maartensdijk en St.
Annaland te beurt zijn gevallen. De Pluimpot was een breed water, dat Poort¬
vliet van het westelijk deel van Tholen afscheidde, en waarvan de verlanding en
bedijking niet in eens, maar van afstand tot afstand schijnt te zijn geschied
met zoogenoemde verkortingen, gelijk met dergelijke binnenwateren meermalen
gebeurde. De naam zou afkotnen van het dieplood Plum, plumet, en in plaats
van pot liever port lezende , wijzen op de haven waarin het dieplood veel moest
worden gebezigd, daar het reeds in oude tijden door slikken onveilig werd
gemaakt.

Kaart van de gemeente Poortvliet (en Nieuw-Strijeu).    H. Su-

MHGAit 1866. Grootte 2387 bunders. Inwoners 1350.
Schaal van I : 50000.'

De gemeente Poortvliet bestaat uit de heerlijkheden Poortvliet en Nieuw-
Strijen.    De heerlijkheid bevat de polders Poortvliet en Malland, Baarsdijk,

Priestermeet, Bartelmeet, Pluimpot onder Poortvliet, Smaalzij , Hollare en van
Haaften, en onder Nieuw-Strijen de polder van dien naam alsmede Steeland.
In de heerlijkheid ligt het dorp Poortvliet en de gehuchten de ltand en het
oude Kerkhof. Op cis kaart van Pické zijn ook de hofsteden aangewezen o. a.

de Blauwe Bloem, de Witte Hoeve, de Wayershoeve, de Drift, Krijtenburg,
Zandhoeve, Zoeteravik, de drie hofsteden in den Hollarepolder enz.

van Poortvliet, gelijk hiervoren gezegd is, waarschijnlijk vroeger een eiland,
wordt reeds in 1290 melding gemaakt toeu het kapittel van St. Salvator te
Utrecht, zijne goederen iu Portflict aan Plu go van Vookne in erfpacht gaf,
(van den Iïehgii , Oorkondenboek, dl. II , n°. 186). Eene kreek, welke den-
zelfden naam droeg , is waarschijnlijk verloopen, toen de Strien, omstreeks 1307,
afgedamd werd. In den oorlog met "Vlaanderen , en vooral in het gevecht bij
Lodijke op 1 Januari 1301 , streden die „van Poortvliet, de goede gaste” moedig
onder den heer van Reimerswaal voor den graaf van Holland , (Melis Store ,
Aangek aaide uitgave. , dl. III , bl. 50) , wiens belangen zij voorstonden , -wel¬
licht uit dankbaarheid voor de tolvrijheid hun, elf jaren vroeger, door graaf
Fi.oris geschouken , welk voorrecht in 1306, 1340 , 1346 en 1356 bevestigd
werd. In November 1319 gaf Willem aau zijn broeder Jan van Beaumont ,
in mindering der jaarlijksche rente welke hij hem in Henegouwen schuldig- was ,
al zijne renten binnen het ambacht van Poortvliet, (Mieris, c]I. II, bl. 228),
waardoor deze edelman , in Tholen reeds aanzienlijk gegoed, nog meer in aan¬
zien kwam. Geschillen tusschen polders over hunne uitwatering, waren ook
destijds menigvuldig, waarom de graaf in April 1327 bepaalde dat de ingelanden
van den Jan van Steelandspolder eu den heer Hugopolder bij Seherpenisse,
wier landerijen door Poortvliet hun water loosden, de kosten moesten dragen
der wateringen en sluizen, daar men eene nieuwe leggen ging, (Mieris, dl.
II , bl. 424). Dat die twisten wel eens hooger stegen dan woordenwisseling ,
blijkt uit het privilegie in 1333 aan die van Poortvliet gegeven, dat niemand
„met zwaarden in pavlans” komen mocht, (van Visvliet, Inventaris, dl. II,
bi. 54). Onder de iu beslag genomen goederen van den rentmeester Bruisten
van Herwijnen , wiens misdrijf aan Ermeiïins {Zeemcsche oudheden, dl. VIII,
bl. 69) schijnt ontgaan tc zijn , behoorden ook de tienden in .Mallend en Poort¬
vliet , welke hertog Albrecht toen (30 Mei 1397) verkocht aan Orde van
Bergen, vrouw van St. Maartensdijk, (Mieris, dl. III, bl. 658). Een jaai'
te voren liaa de vorst aan Floris van Bokssei e commissie gegeven als baljuw'
dezer heerlijkheid, (Inventaris archief, dl. II, bl. 140). Graaf Willem VI
bevestigde, a°. 1405, Guy bastaard van Bi.oys, getrouwd met Clara van
Botland, in het bezit der goederen, welke deze edelman van zijn vader onder
Poortvliet verkregen had, als twee molens, een op Nieuwe Ee en een op
Calfstairt, dc bede , de visscherij , de zwanendrift, de lammeren- en vlastien-
den, de middeldijk met 74 gemeten lauds enz., (Mieris, dl IV, bl. 21).
Poortvliet behoorde met Tholen en Schakerloo onder de goederen welke aan
gravin Jacoba werden gelaten bij haar afstand in April 1433. Merkwaardig
is het privilegie van October 1462, waarbij hertog Philips belooft, dat hij de
heerlijkheid nooit van de grafelijkheid zal vervreemden „ ofte verscheiden iu
iemand anders handen , hetzij bij gifte of koop of op eenigerhaudeu maniere ,
{Coptdaatboele, dl. IV, f°. 516-, Boxhors, dl. II, bl. 237; Oudhed. en ge¬
slichten, dl. II, bl. 200; Smai.legange, bl. 292). Deze gunst steunde op
het oude recht zijner „ lieve en getrouwe onderdanen van Poortvliet om, als
zij met den graaf in het veld waren, voor zijne tent te wezen als portiers
of wachters van zijnen lijve.” Jacobus Ermerins , die zich bij het beoor-
öeelen der lands vorsten door den partijgeest zijner dagen wel eens tot een¬
zijdigheid vervoeren laat, en in zijne geschriften ook de knorrigheid niet altijd
onderdrukken kan , welke volgens onze familie-overlevering, den braven en eer¬
lijken man kenmerkte, spot eenigzins met dit privilegie; mij dunkt ten on¬
rechte , want zeer zeker zullen de inwoners van Poortvliet er in de toenmalige
maatschappelijke verhoudingen Loogen prijs op hebben gesteld. De aanleiding
ligt vermoedelijk in de trouw, waarmede zij zich „ als goede gasten” in
den strijd met Vlaanderen hebben onderscheiden. In 1478 kregen zij van
Maximiliaan het privilegie om hun eigen keuren of voorboden te mogen
maken. Naar het schijnt was Poortvliet, in de eerste helft der zestiende eeuw
eene zeer W'elvarende plaats, wier ontwikkeling echter bedreigd werd door het
verlanden der haven, waarom in April 1562 de koning vergunning gaf om
belasting te mogen heffen tot het leggen eener nieuwe straat tot aan de sluis
van Nieuw-Strijen , den naasten toegang tot het water, (4e. Copiilaatboek, f°.
517). Hoewel dit ambacht, door de groote vloeden der zestiende eeuw, min¬
der schade leed dan andere streken van Zeeland , gaf hier het dijkwezen toch
veel zorg en oneenigheid. In 1645 moest de bijstand der staten worden ingc-
roepeu , om de onwilligen tot het verzwaren der dijken te dwingen, (Staten
notulen 1645). Negen jaren daarna waren er weder hevige twisten tusschen
den baljuw' en de ingelanden over het gebruik van enkele kadijken aan de
Pluimpot, (Stalen nottden 1653). In September 1671 werd het ambacht ge¬
heel of gedeeltelijk overstroomd, (Staten notulen 1671), waarom, twee jaren
later, aan de oostzijde een dwarsdijk werd gelegd van den Penkschendijk tot
Oud-Strijen , waarvan de spoedige voltooijing zoo noodzakelijk werd geoordeeld,
dat zelfs vrouwen aan het werk hielpen, waarom deze dijk nog altijd de Vrou-
wendijk heet, (Ermerins).

Noordelijk van den polder Oud Poortvliet liggen de zoogenoemde Poortvlietsche
weihoeken, waarin ook opgenomen is de vroegere heerlijkheid Malland, welke,
ook grenzende aan St. Annaland , geene afzonderlijke dijken meer heeft, (Smal-
xegange, bl. 747). De polder Malland schijnt in de dertiende eeuw aange¬
wonnen, daar in 1345 graaf Willem IV de tienden van Malland verpachtte,
(Mieris, dl. II, bl. 691). In 1394 bevestigde hertog Albrecht de donairie
door Flouis van Borssele van St. Maartensdijk, gemaakt aan zijne echtge¬
noot© Oede van Bergen van f 800 ’s jaars , gevestigd op zijne leengoederen ,
waaronder de gorshunr in Malland, (Mieris, dl. III, bl. 625). Het Meerland
reeds vroeger door Stoke vermeld, (aangek. uitgaven, dl. III, bl. 238), zal
vermoedelijk op het bij Brielle gelegen Maarland doelen, hoewel sommigen het
hier hebben gezocht. In 1304 gaf graaf Willem III, te Middelburg zijnde,
aan H. F. P. Botszoonsz. commissie om den dijk van Malland te bedrijven,

Zelandia illustiata. II


23

(van Visvliet, Inventaris, bl. 46), en in 1355 gaf Willem V aanzijn „ znrgijn
en deurwaarder” de tienden in Malland, (Inv. a. b., bl. 97).

Naar deze heerlijkheid noemde zich een adelijk geslacht. In 1285 worden
vermeld Nicolaas en Hugo van Malland die aan het kapittel van Oud-
munster te Utrecht een pastoor voor Scherpenisse aanbevelen, (van df.n Bergh ,
Oorlicmdenboek, dl. II, n°. 575). Vier jaren later komen uit Scherpenisse voor
Hugo de Maerland ; in 1290 Hugo de Malland , (Kluit , Cod. dipl., bl,
893, 955 ; Mieris , dl. II, bl. 606). In hetzelfde jaar vinden wij ook messire
Claisse de Maerland; in 1309 Hugo de Merlant bij den zoen over den
moord van Floris van Borssele te Delft, (Mieris, dl. II, bl. 84) en in 1341
Hugo van Malland , onder de edelen die beloven zich te zullen onderwerpen aan
de uitspraak van den graaf, (Mieris, dl. II, bl. 648 en 659). Merland en
M alland zal waarschijnlijk wel dezelfde familie zijn , en de voornaam geeft aan¬
leiding om verwantschap te onderstellen met heer Hugo van Voornk, die in
deze streken, gelijk wij zien zullen, uitgestrekte eigendommen bezat. Aan de
Weihoeken en Malland grensden ten noorden de Bartelmeet-, Priestermeet- en
Baarsdijkpolders. De Bartelmeet werd in de veertiende eeuw aangewonnen en
zal vermoedelijk de Moerdijk geweest zijn, die graaf Willem, in Juni 1325
te Zierikzee zijnde, verkocht aan Claas Poppenssone om uit te moeren, onder
bescherming van den schout vau Poortvliet, (Mieris, dl. II, bl. 353). Die
Moerdijk heette de meene weide of gemeene weide, van welk gemeenschappelijk
bezit ik ook sporeu heb aangetroffen in Zuid-Beveland , wordende in de rent¬
meesters rekening B. W. S., a°. 1331, vermeld „ ontv. van Jan Gilliss. uit
Loodyc en syn gheselscap van mvns Hm moeriande te Niewercke, dat die
„ meente” heet.” Van den Priestermeet- en Baarsdijkpolders is hiervoren reeds
gesproken. In 1411 verkocht de graaf door zijn rentmeester Floris van den
Abëele aan den ridder Daniël Vijle den dijk, dien men heet den nieuwen dijk
bij den polder van Priestermeet, (4e Copulaatboek, f°. 507), en in 1455 werd
aan Willem Bolle in erfpacht uitgegeven een schorre lands buitendijks in den
omloop van Malland, Poortvliet en Priestermeet. De smaalzijde polder , west¬
waarts van Malland, werd, omstreeks 1512, in den Pluimpot ingedijkt, en wat
later (1556) het deel van den polder dat onder Poortvliet den naam van dien
stroom draagt. Het zuidelijkste deel van den Pluimpot werd in 1812 bedijkt,
het noordelijke door de aanwinning van den Johanna Mariapolder onder St. An-
naland, a°. 1860, gesloten.

Het dorp Poortvliet, in den ouden polder gelegen , schijnt reeds vroeg hloeijend
en volkrijk te zijn geweest. Toen de bisschop van Utrecht, in 1325, twee
priesters aanstelde in de parochiekerk aldaar, schreef hij : „ in quo multitudo
populi est eongregata(Mieris, dl. II, bl. 359). Er werd hier, ook tot in
later tijd, eene weekmarkt gehouden; tot in de zestiende eeuw (1551) vond
men er een cloveniersgilde , en in 1561 een gilde van den handboog, terwijl er
ook een kamer van rhetorica schijnt bestaan te hebben. Reeds in 1397 wordt
van gronden in deze buurt gewag gemaakt, die voor „tegelrije” of steenbakken

werden gebezigd, (Mieris , dl, III, bl. 658). Het dorp deelde in de rampen
des oorlogs, en had in den Spaanschen tijd menigmalen krijgsvolk van vrienden
en vijanden te herbergen, o. a. in 1587 de Staatsche kompagnie van kapitein
Willem van der Meer, (vgl. hiervoren Zierikzee bl. 403 en Noord-Gouwe bl.
248 en Ermerins, a. w., dl. VIII, bl. 77). Tusschen 1596 en 1605 werd
het dorp bestraat, waarvoor de steenen gekocht waren van de „ desolate” stad
Reimerswaal, (Ermerins , a. w., hl. 114).

Het raadhuis dagteekent uit dien zelfden tijd. Het bevat een schilderstuk , den
onrechtvaardigen rechter voor koning Cambysus voorstellende, waarvoor in
1617 aan een Antwerpschen schilder 11—1—5 £ VI. werden betaald. Een
geschilderd wapenbord der heerlijkheid draagt het jaartal 1550, en het schild
vertoont de leeuwen van Henegouwen. Van de oude rederijkerskamer is waar¬
schijnlijk het afbeeldsel van St. Cathartna afkomstig , waaronder het devies:
u wt rechter minne ” het jaartal 1549 en de spreuk nee spe nee rnetu.

De oude kerk, niet ver van een vrij hoogen vlietheuvel gelegen, is waar¬
schijnlijk verbrand bij het verdrijven der Spanjaarden, waarom de gemeente bij
den herhouw, omstreeks 1586, door de staten zeer werd gesteund, (Ermeeins,
hl. 119). Vóór de reformatie waren hier twee vicarijen, een aan het altaar
der Heilige Maagd, en een aan dat van St, Jodocus. In 1650 liet eene ge¬
goede vrouw Jakkeren Smallaerts aan de kerk een grooten regenbak met¬
selen , welke weldaad door een gedenksteen erkend werd. Sedert 1806 is het
gebouw van een orgel voorzien, een geschenk van den heer Abraham Dumont
te. Amsterdam en zijne uit Poortvliet afkomstige echtgenoote Jacoba Gaaswijk,
die hier een buitenverblijf hadden. Onder de oude grafzerken werden door Er¬
merins opgegeven die .van Francois Willemsz. van der Thollen, chirurgijn
van Poortvliet, overl. 1 April 1650; Lucretia van Hertsbeke, wed. van
Philibert van Borssele , rentmeester B. W. S., overl. 1655 en Adhiaan
Jansz. van Campkn, wethouder, overl. 1650.

Bij de eerste sporen der kerkhervorming werd hier van 1557—1568 niet wei¬
nig tegen dc ketters gewoed, waarvan Ermerins (a. w., hl. 114) merkwaardige
bewijzen mededeelt, (vgl. te "Water, Eist. der reform., hl. 83).

Onder Poortvliet behooren ook nog de gehuchten Schoondorp en het zooge¬
noemde Oude Kerkhof, waarvan het eerste , grenzende aan Scherpenisse, een
eigen kermis bezat, wat het vermoeden wettigt dat hier oudtijds eene kerk of
kapel heeft gestaan. In laatstgenoemde buurt schijnt op een eenigszins hoog
gelegen stuk land ook een kerk of geestelijk gesticht geweest te zijn, tenzij
die grond, in tijden van pest of andere hesmettelijke ziekten, welke hier meer¬
malen voorkwamen, voor begraafplaats gebezigd werd, (a. w., bl. 115). Hoe¬
wel het bovenaangehaalde octrooi van 1462 duidelijk spreekt, dat Poortvliet als
grafelijke bezitting nooit zou worden verkocht, is die belofte toch niet gehouden.
In 1511 klaagden ten minste de staten van Zeeland, dat de twee jaren vroeger
overleden ridder Jeronimus Laurin, heer van Watervliet, Waterland, Water¬
dijk en Nieuwvliet en ontvanger-generaal van Oost-Vlaanderen enz., deze heer¬
lijkheid voor een zeer kleinen prijs van den koniug van Castiliën had gekocht en
de belasting daarvan weigerde, (5e Copulaatboeic, f°. 41). Deze Jeronimus
Laurin (Laukeyn of La uwereyn) was in die dagen een zeer invloedrijk persoon ,
die ook over de Schelde belangrijke eigendommen bezat en indijken liet, (Navor-
scher XlXe jaarg., bl. 485). In de Beneal. van Borssele door Ituisca de Bruin
wordt hij opgegeven te zijn (a°. 1506) hofmeester van den koning van Cas¬
tiliën, aartshertog van Oostenrijk. De dochter van zijn zoon Pieter Lau¬
rin trouwde 1542 met Wolfert van Borssele, waaruit Maximtliaan 3
over wien in 1564 voogden werden zijn broeder Mathijs L au kin en Jacob
Campe , te Veere Ermkrins meent dat er geene leenvolgers in Poortvliet meer
vookomen, doch op de zerk van Guy van Bloys Anthz. in de kerk te Tholen
(hiervoren dl. I, bl. 478), die overleed 1527, wordt hij o. a. „ heerschap in
Portfliet” betiteld. Dit zal echter voor hem en zijne opvolgers waarschijnlijk
niet veel meer dan een titel zijn geweest, daar verscheidene ambachtsheerlijke
rechten waren te gelde gemaakt en o. a. door het geslaeht van de "Werve
gekocht. In het laatst der zeventiende eeuw wordt heer van Poortvliet ge¬
noemd de bekende Pieter Carel de Bils, heer van Coppendamme, (Smal-
legange, bl. 747), misschien dezelfde, over wien, omstreeks 1688, zeer on¬
gunstig gesproken werd, (Journal van Constantijn Huijgens den Zoon ,
Utr. 1876, bl 182). De staten van Zeeland wilden in 1627 de heerlijkheid
verkoopen, doch de regeering aldaar beriep zich op de privilegiën. In Juli
1639 en in September 1681 kwam deze zaak weder ter sprake , doch het duurde
tot in Juli 1704 eer de veiling beslist werd. Als een goed onversterfelijk evf-
leen werd toen de heerlijkheid verkocht, zijnde groot bij de breedte 4513 ge¬
meten, waarbij volgden de helft in den dorpsmolen en 3/4 in den molen bij
Ennewee met de dijksetting van Priestermeet en de erfpacht aan Houweel.
Niet voor 1706 kreeg de zaak haar beslag, toen kooper werd Jacob de Jonge
(van Euï.emeet) , pensionaris van den Briel, die het ambacht naliet aan zijn
zoon den ontvanger-generaal Cornelis de Jonge van Elleheet. In 1721
staat Poortvliet ten name van Arnoud de Jonge van Ellbmeet , en kwam in
1739 op zijne zuster Counelia Maria, die de heerlijkheid bij testament naliet
aan haar echtgenoot Adolf Julius baron van Huffel tot Terbueg , land¬
drost van Salland. Uit diens boedel verkocht, kwam Poortvliet in 1766 voor
ƒ 28500 in handen van twee ingezetenen aldaar, namelijk Christofïel Gaas¬
wijs en Josina de Jonge (Ermkrins zegt Josias de Jonge). Het laatste
aandeel kwam in 1785 op mr. Pieter de Jonge, het eerste, drie jaren later,
op mr. Martinus Jacobus Gaaswijs , welke eigenaars -door het aankoopen van
vele der vervreemde rechten het aanzien der heerlijkheid merkelijk verhoogden.
Later kwam Poortvliet aan den heer J. de Jonge en mej. C. de Jonge, te Tho¬
len, die de heerlijkheid verkochten aan den heer Fieier Koetert Tak te Middel¬
burg. Na diens overlijden , in 1857 , kwam de heerlijkheid in 1858 aan zijn twee¬
den zoon A. Tak van Poortvliet, en uit diens boedel in 1874 aan zijn
eenigen zoon mv. Johan Pieter Roetert Tak van Poortvliet tc ’s Gravenhage.

Onder de gemeente Poortvliet ligt de ambachtsheerlijkheid Nieuw Strijen,

verdeeld in de Oud en Nieuw Strijensehe polder, waarvan de eerste onder Tholen
*

behoort. In laatstgenoemden ligt de buurt Strijenham of Stnen. Graaf Willem
III gaf, in 1307, het Striene schor, gelegen voor Schakerloo en Poortvliet, aan
ridder Boudewijn van ïerseke om te bedijken , die het drie jaren later weder
uitgaf aan Willem Arnouds en anderen, (Boxhorn, dl. II, bl. 137). Poort¬
vliet had aldaar, gelijk hiervoren gezegd is, zijne uitwatering. In 1S32 werd
de oude sluis en sluiskille, welke in 1562 den inwoners van Poortvliet tot een
schipvaart was gegund , (Smallkgange , bl. 747), geheel vernieuwd. Deze kleine
heerlijkheid is menigmaal van eigenaars verwisseld. In 1580 kochten de inge¬
landen van Poortvliet haar aan, doch machtigden , in 1581, Lieven Coknelisz.
Werckendet , die hier eene hofstede bezat, om haar weder te verkoopen ,
waarop volgens de eerste steenrol Adkiaan Arnoudse en Pieter Jansz. JBeau-
mont , getrouwd met Josina Arnoudse , eigenaars werden. In het eerste ge¬
deelte volgde in 1604 Jaspar van Vosbergen, in 1606 Marinus Gelkin van
Vosbergen; in 1613 Boudewijn de Witte, conquestor in het sterfhuis van
Vosbergen; in 1614 Cornelis van Strijen; in 1619 Cornelis Cz. van
Strijen ; in 1628 Johan Liens en Cornelia van Strijen , zuster van Cor¬
nelis voornoemd ; in 1650 Gerrit Moorman; in 1652 Hendrik Moorman;
in 1663 Cornelis Lemsom ; in 1679 diens zusterszoon Guillam van Lans¬
schot ; in 1686 diens dochter Anna Catharina van Lansschot; in 1701
Adriaan Bollaart ; in 1755 Brigitta de Volder, in 1759 Frederik Ni-
colaas van Engelen ; in 1797 Carel Benjamin van Engelen. De andere
helft kwam van Pieter Jansz. Beaumont in 1617 op mr. Boude wijn de
Witte; in 1641 op zijne dochter Maria, in hetzelfde j aar op Pieter van den
Helm; in 1650 op zijne zuster Anna van den Helm; in 1658 op Jacob
Winckelman, in hetzelfde jaar op Mklchior Winckelman ; in 1696 op Hen¬
drik Melchior Winckelman, in dat jaar op zijne weduwe Maria Elisabeth
Stërthemius ; in 1738 op haar zoon Jacob Winckelman, in hetzelfde jaar op
Adriaan Bollaart , waardoor 'de heide deelen weder vereenigd werden. In
1841 kwam Nieuw Strijen toe aan den heer Brest van Kempen , in Oost-Indië.

Het slot tot Poortvliet. Verrijk naar Stellingwerf , bl. 217.
Lijnslager , n°. 2436.

Teekening in O. I. inkt, breed 28, hoog 19 c. M., voorstellende een door
grachten omsloten kasteel met een vierkanten wachttoren. Volgens eene aantee-
kening van mr. S. de Wind , uit wiens collectie deze teekening afkomstig is ,
wordt vermeld in den catalogus van den atlas van F. Lijnslager , bl. 92, n°,
2436. „Schakerloo en het slot te Poortvliet, beiden door Stellingwerf.”

Reeds voor 1204 liet Hugo van Voorne hier eene sterkte bouwen , daar in
een charter van dat jaar het kasteel als bestaande wordt genoemd, (van den
Bkrgh , Oorhondenboeh , dl. II, n°. 98). Deze edelman was, zooals men weet,
na den dood van graaf Dirk VII, een der machtigste aanhangers van gravin

Ada en haren echtgenoot den graaf van Loon , en had zelfs een tijdlang het
opperbewind over geheel Zeeland. In den daarop gevolgden oorlog voerde
Floris , domproost te Utrecht (1198—1205), later monnik in de abdij te
Middelburg (overl. 1218) en broeder van Willem I, de krijgsbenden van den
graaf tegen het slot van heer Hugo aan. Store zegt {Aangek, v.itgave, dl. II,
bl. 42) „ Want hi brac hem in Poortfliet sine veste die seer was vasten in
het Chron. monast. Egraond bij Kluit, Cod. dipl., bl. 210, wordt gesproken
van „ munitionem Hugonis Scarpenis naar den hoofdnaam van het eiland.
Het sterke slot werd ingenomen en geslecht. Later herbouwd , hield zich aldaar
graaf Kloris in 1229 op, toen hij , bij Portfliet zijnde, eenig land te Sca-
kerslo verkocht, (Mieris, dl. I, bl. 204). De vierkante wachttoren, want de
oudste wachttorens hebben dien vorm , was misschien nog een overblijfsel van
het eerste kasteel. Boxhorn en de schrijvers van Tegenwoordige staat (voor
Tholen mr. Johan van Vrijherghe in 1744 burgemeester dier stad) meenen
dat hier van twee kasteelen sprake is, als een te Poortvliet en een te Scherpe-
nisee. Dit is echter het geval niet, gelijk Dresseliiuis (a. w., bl. 107) op¬
merkt, Scarpenisse was de hoofdnaam van het eiland, waarop ook Poortvliet
gelegen was, zoodat hier ongetwijfeld dezelfde burgt werd bedoeld. Dat het
slot herbouwd werd, blijkt uit de rentmeesters rekening van 1317, waarin
voorkomt „ Item herstel van mynshrn huvsinghe te Poortfliet, te daken en van
arbeid enz. 17 sch. (aant. mr. S. de Wind). Sommigen meenen dat dit
kasteel ten zuiden van het dorp heeft gestaan, waar, op het hooge land,
zware muurbrokken uitgegraven zijn. Een korte beschrijving, welke even als
de andere , meest uit gedrukte en bekende werken ontleend is, vindt men in
het handschrift van van Alkehade. Het latere huis was waarschijnlijk in
het bezit van het geslacht van de Werve, dat in deze hunrt vele bezit¬
tingen had. Dirk van de Werve trouwde Francoise van Vaernewijck ,
waaruit Dirk , a°. 1595 gehuwd met Geicrtuuida van Bronkiiorst. Den 4
Juli 1610 verkochten Charles van Ydkh , heer van Wiese, en zijne eehtge-
noote Maria van Corteville , aan jhr. Hendrik van de Werve voor acht
duizend gulden al hunne aandeelen in de tienden.

Plan van de PoortvlïetscTie sluis a°. 1606.

Teekening, breed 50, hoog 38 c. M., op een schaal van 50 roeden op 100
m. M., van een gebastioneerden vierhoek , waarbij aangeteekend staat: „ Also
op de gelegenheyt van dese plaatse wt rede van de dyken, geen bekwamer or-
donnancie van fortificatie, souder te vallen ia excessyve onkosten, heeft connen
ghevonden werden , wordt by syn Exc. goet ghevonden dit plan, met de con-
trescharpe, ravelyns en verleggen van dycken, dewelcke men moet versmallen
en aen wederzyden met muerwerek optrecken naer-’t gevoeghd. Aldus gear¬
resteerd by syne princelyke Exc. in ’s Gravenhage den'15 Marty 1606 Maürice
df, Nassau.” Eene gelijke kaart, eene copie naar het oorspronkelijke berust
in het provinciaal archief, {Inventaris, dl. I, hl. 112). De onze is afkomstig

uit de verzameling van mr. S. de Wind , (vgl. ook de plannen der versterking
van Tholen in 1596 , Zelandia ittustr., dl. I, bl. 462). De Poortvlïetsche sluis
lag ten noorden van den polder Priestermeet en bij de Krabbenkreek , welke plaats ,
gelijk in 1631 bleek, in oorlogstijd aan overrompeling blootgesteld was. Pu¬
il krins zegt : „ Bij de Mosselkreek en bet Slaak achtte men het Thoolsche
land het minst veilig, waarom ten jare 1604 (moet zijn 1606) op de Poort-
vlietsche sluis een steenen redoute werd gebouwd en een oorlogschip op de
wacht werd gelegd,” (Zeemosche oudheden., dl. VIII, bl. 88).

Lijst van de predikanten te Poortvliet na de reformatie.

Deze lijst der dertien predikanten begint met Thomas Rageboom , van 1582
of 1583 tot 1624, en eindigt met Daniël van der Hoek, bevestigd 1 Oetober
1780. Deze opgaaf komt ook voor, doch aangevuld tot 8 Januari 1793 , bij
Ermerins , Zeeuwsehe oudheden, dl. VIII, bl. 126.

Gedicht op de beroeping van den weleerw. heer Bernardus
Bosch, tot predikant te Poortvliet den 16 van Bloei¬
maand 1790.    ,

Hierbij zijn portret in medaillon met bijwerk. Randschrift Bernardus Bosch,
predikant te Poortvliet 1790. Daarbij is gevoegd zijn handteekening. Het acht¬
regelig gedicht door Batavus begint:

„ Zie hier het beeld van Bosch die bij de omwentelingen
Tan zijn geliefkoosd, maar gefolterd vaderland
Is uit zijn 'post gegaan als Diemens predikant
En nu te Poortvliet weer hersteld met zegeningen
B. Bosch , predikant te Spanbroek en Opmeer, vervolgens te Oudkarspel en
eindelijk te Diemen, bad zich als prediker veel naam gemaakt. Hij gaf in 1777
en 1783 een paar bundels leerredenen uit. In Mei 1790 werd hij, als oud
predikant van Diemen , te Poortvliet beroepen. Dit beroep werd zeer besproken ,
en wel vooral toen gecommitteerde raden van Zeeland, wegens de bekende patri¬
ottische gevoelens van Bosch , het beroep eerst schorsten en vervolgens vernie¬
tigden. Een jaar daarna den 15 Mei 1791 werd Abraham Zijnen , van Zonne-
maire beroepen, (Ermerins , Zeeuwsehe midheden, dl. VIII, bl. 126; Glasius ,
Godgeleerd Nederland enz.).